ECLI:NL:RBONE:2013:BZ1195
Rechtbank Oost-Nederland
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Opheffing conservatoir beslag op onroerende zaken in failliete boedel afgewezen
De curator in het faillissement van [X] vorderde in kort geding de opheffing van conservatoir beslag dat [gedaagde] had gelegd op diverse onroerende zaken, omdat deze goederen volgens hem tot de failliete boedel behoren en het beslag onrechtmatig is. [Gedaagde] stelde dat het beslag gerechtvaardigd was vanwege haar vordering uit overbedeling in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap en dat de verdelingsprocedure nog loopt.
De voorzieningenrechter overwoog dat de vraag of de beslagobjecten tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren niet in kort geding kan worden beantwoord en dat de lopende bodemprocedure hiervoor de juiste weg is. Het beslag is gelegd om verhaal te waarborgen en [gedaagde] heeft een spoedeisend belang bij handhaving van het beslag.
De curator kon onvoldoende aannemelijk maken dat het beslag ondeugdelijk was of dat de faillissementsboedel onevenredig werd getroffen. Ook het belang van de curator bij opheffing van het beslag, mede vanwege reeds verkochte goederen, woog niet zwaarder dan het belang van [gedaagde]. Daarom werd de vordering tot opheffing afgewezen.
De curator werd veroordeeld in de proceskosten, terwijl de vorderingen van [gedaagde] in reconventie werden afgewezen. Het vonnis werd gewezen door mr. A.E. Zweers en op 8 februari 2013 uitgesproken.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het conservatoir beslag wordt afgewezen en de curator wordt veroordeeld in de proceskosten.