ECLI:NL:RBONE:2013:BZ2085
Rechtbank Oost-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens onjuiste woonsituatie en schending inlichtingenplicht
Eiser maakte aanspraak op bijstand en gaf aan zijn hoofdverblijf te hebben aan een bepaald adres. Verweerder trok de bijstand in over de periode 11 april 2012 tot 11 mei 2012 wegens onvoldoende aannemelijkheid van het hoofdverblijf op dat adres en schending van de inlichtingenplicht.
Tijdens een huisbezoek werden weinig persoonlijke eigendommen aangetroffen die wezen op een hoofdverblijf, wat verweerder deed concluderen dat het verblijf van eiser een tijdelijk logeerkarakter had. Eiser voerde aan dat hij wel degelijk zijn hoofdverblijf had op dat adres en overhandigde een huurcontract en een verklaring van de verhuurder, maar de rechtbank achtte deze bewijsstukken onvoldoende en deels onbetrouwbaar.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet had voldaan aan zijn inlichtingenplicht en dat het centrum van zijn maatschappelijk leven niet op het opgegeven adres was, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard omdat eiser zijn hoofdverblijf niet aannemelijk heeft gemaakt.