ECLI:NL:RBONE:2013:BZ6422
Rechtbank Oost-Nederland
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering TSB wegens onvoldoende bewijs concurrentiebeding en onrechtmatige concurrentie
TSB vordert in kort geding tegen haar voormalige algemeen directeur, [gedaagde], een verbod op concurrentie en contact met klanten, gebaseerd op een concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst van 2 januari 2001 en onrechtmatige concurrentie.
TSB stelt dat het concurrentiebeding is geschonden en dat [gedaagde] klanten heeft benaderd om hun relatie met TSB te beëindigen. De arbeidsovereenkomst bevat echter een doorgestreept concurrentiebeding, en TSB kon niet overtuigend aantonen dat het beding alsnog geldig is. De verklaringen van partijen over het doorhalen van het beding zijn tegenstrijdig, waardoor het bestaan van het beding niet is vastgesteld.
Ten aanzien van onrechtmatige concurrentie oordeelt de rechtbank dat hoewel één klant is overgestapt naar een bedrijf waar [gedaagde] mogelijk bij betrokken is, dit onvoldoende is om te spreken van stelselmatig en substantieel afbreken van het bedrijfsdebiet van TSB. Verder zijn de meeste klanten die in 2012 opzegden, gebleven. De vorderingen worden daarom afgewezen en TSB wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen van TSB worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het concurrentiebeding en onrechtmatige concurrentie.