Verzoekers gebruikten een woning op een bedrijventerrein als burgerwoning, terwijl het bestemmingsplan dit niet toestaat. Verweerder legde een last onder dwangsom op om dit gebruik te staken. Verzoekers voerden aan dat handhaving selectief en willekeurig plaatsvindt en dat zij op grond van eerdere toezeggingen mochten vertrouwen op gedogen.
De voorzieningenrechter constateerde dat het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan en dat er meerdere vergelijkbare situaties zijn waartegen handhavend wordt opgetreden op verzoek van derden. Het verzoek van belanghebbende om handhaving werd als oneigenlijk beoordeeld omdat het niet gericht was op beëindiging van het gebruik, maar op een ander resultaat.
De rechter oordeelde dat de handhaving op basis van het 'piepsysteem' willekeurig is en dat het vertrouwensbeginsel niet leidde tot een onherroepelijke toezegging. Wel achtte de voorzieningenrechter een termijn van vier maanden te kort gezien de langdurige procedure. Daarom werd het handhavingsbesluit geschorst tot zes weken na uitspraak in de bodemprocedure en werden de proceskosten aan verzoekers toegewezen.