ECLI:NL:RBOVE:2013:2338

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
1 oktober 2013
Publicatiedatum
30 september 2013
Zaaknummer
08/144706 / KG RK 13-2041
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter in bestuursrechtelijke omgevingsvergunningszaak

In deze bestuursrechtelijke procedure heeft verzoekster een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. Oosterveld, rechter belast met de behandeling van een zaak betreffende een omgevingsvergunning. Het verzoek betrof de afwijzing van een verzoek om kennis te nemen van aanvullende beroepschriften en verweerschriften die in een andere, niet-gevoegde zaak waren ingediend.

De rechtbank stelt vast dat verzoekster en een andere appellant met dezelfde gemachtigde tegen dezelfde vergunning beroep hebben ingesteld, maar dat deze zaken als afzonderlijke procedures worden behandeld met gescheiden dossiers. De rechter heeft het verzoek om inzage in stukken uit het andere dossier afgewezen op grond van de standaardprocedure dat stukken beperkt blijven tot de procedure waarvoor zij zijn ingediend.

De wrakingskamer overweegt dat wraking alleen kan worden toegewezen bij concrete feiten die objectief de vrees voor partijdigheid rechtvaardigen. De afwijzing van een procedureel verzoek vormt op zichzelf geen grond voor wraking. Verzoekster heeft geen feiten aangevoerd die wijzen op vooringenomenheid van de rechter. Ook het verzoek van een derde partij om als belanghebbende te worden aangemerkt wordt afgewezen wegens gebrek aan relevant belang.

De rechtbank wijst het wrakingsverzoek af en verklaart dat tegen deze beslissing geen rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen mr. Oosterveld wordt afgewezen wegens gebrek aan objectieve vrees voor partijdigheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer / rekestnummer: 08/144706 / KG RK 13-2041
Beslissing van 1 oktober 2013
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [plaats],
verzoekster tot wraking,
gemachtigde mr. H. Martens te Assen.

1.De procedure

1.1.
Op 10 september 2013 heeft mr. Martens, ter gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting, het (mondelinge) verzoek tot wraking gedaan van mr. Oosterveld, rechter in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder Awb 13/840.
1.2.
Mr. Oosterveld heeft in zijn schriftelijke reactie meegedeeld niet te berusten in de wraking.
1.3.
Bij brief van 23 september 2013 heeft ing. M.H. Middelkamp, gemachtigde van [A], appellant in de zaak die is geregistreerd onder nummer Awb 13/839, meegedeeld dat [A] zich als derde belanghebbende partij wenst aan te merken in het onderhavige wrakingsverzoek en in de zaak die is geregistreerd onder Awb 13/840.
1.4.
Het wrakingsverzoek van [verzoekster] is op 24 september 2013 in het openbaar behandeld.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
- mr. Martens;
- ing. Middelkamp.
Mr. Oosterveld heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2.De feiten

2.1.
[verzoekster] en [A] hebben met hulp van dezelfde gemachtigde, mr. Wieringa een zienswijze ingediend met betrekking tot een omgevingsvergunning. Bij beschikking van 19 februari 2013 is deze vergunning verleend. Beiden hebben vervolgens tegen de vergunning beroep ingesteld. De beroepen zijn aangemerkt als twee afzonderlijke beroepen; het beroep van [A] is geadministreerd onder nummer Awb 13/839, het beroep van [verzoekster] onder nummer Awb 13/840. Er zijn twee afzonderlijke dossiers aangelegd.
2.2.
In augustus 2013 heeft ing. Middelkamp zich gemeld als opvolgend gemachtigde voor [A]. Hij heeft een aantal aanvullende beroepschriften ingediend. Verweerder heeft een aanvullend verweerschrift ingediend. De stukken zijn toegevoegd aan het dossier in de zaak Awb 13/839 en niet (in kopie) toegevoegd aan het dossier in de zaak Awb 13/840.
2.3.
Ter zitting van 10 september 2013, waar de zaken Awb 13/839 en Awb 13/840, naar uit de reactie van mr. Oosterveld kan worden afgeleid, gelijktijdig, maar niet gevoegd, ter behandeling voorlagen, is mr. Martens - als opvolger van kantoorgenote mr. Wieringa - namens [verzoekster] verschenen en heeft hij verzocht om in het bezit te worden gesteld van gemelde aanvullende beroepschriften en het aanvullend verweerschrift van verweerder.
2.4.
Mr. Oosterveld heeft dat verzoek afgewezen.

3.Het wrakingsverzoek

3.1.
Verzoekster heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat door de afwijzing van het verzoek om in de gelegenheid te worden gesteld om kennis te nemen van de aanvullende beroepschriften en het aanvullend verweerschrift haar de mogelijkheid wordt ontnomen om op deze stukken in te gaan. Daarbij is van belang dat in het aanvullend verweerschrift, naar zij heeft begrepen, is opgemerkt dat dit “voor zover nodig” niet alleen ziet op de zaak Awb 13/839, maar (ook) op de zaak Awb 13/840.

4.Het standpunt van mr. Oosterveld

4.1.
Mr. Oosterveld merkt in zijn reactie op dat de standaardprocedure bij de sector bestuursrecht inhoudt dat de processtukken beperkt blijven tot de procedure waarvoor zij zijn ingediend. Een gelijktijdige behandeling doet daaraan niet af.

5.De beoordeling

5.1.
De wens van [A] om als belanghebbende te worden aangemerkt in deze wrakingsprocedure.
5.1.1.
Het wrakingsverzoek is door mr. Martens namens [verzoekster] ingediend in de zaak Awb 13/840. Gronden die meebrengen dat [A], appellant in de zaak Awb 13/839 een rechtens relevant belang heeft bij toe- of afwijzing van het wrakingsverzoek, zijn gesteld noch gebleken. Reeds hierom bestaat geen aanleiding om [A] als partij bij deze wrakingsprocedure aan te merken.
5.2.
Het wrakingsverzoek van [verzoekster].
5.2.1.
Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.
Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.
5.2.2.
De klachten van [verzoekster] zijn in wezen gericht tegen de beslissing van mr. Oosterveld om mr. Martens niet in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de aanvullende beroepschriften en het aanvullend verweerschrift die in een andere zaak zijn ingediend. De juistheid van een procedurele beslissing als de onderhavige - waarvan door [verzoekster] niet is betoogd dat deze in strijd is met de bestendige handelwijze zoals die door deze rechtbank wordt gevolgd - kan op zichzelf niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde worden gesteld. Dat kan alleen door een rechtsmiddel (zoals verzet of hoger beroep) tegen de beslissing aan te wenden (zie ook de beslissing van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State van 13 april 2007 (nummer: 200606497/2, AB 2003/111, LJN BA3209)). Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat mr. Oosterveld bij het geven van deze beslissing vooringenomen was tegen [verzoekster] of dat daarvoor objectief gerechtvaardigde vrees bestond, heeft mr. Martens (verder) niet aangevoerd. Uit het enkele feit dat mr. Oosterveld niet aan het verzoek van mr. Martens heeft willen voldoen, kan de rechtbank dat niet afleiden. Daarom moet het verzoek worden afgewezen.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst het verzoek van [verzoekster] tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. T.R. Hidma, J.H. Keuzenkamp en G.A. Versteeg in tegenwoordigheid van de griffier mr. G.W.G. Wijnands en in openbaar uitgesproken op 1 oktober 2013.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.