ECLI:NL:RBOVE:2013:2627
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Kok
- Rechtspraak.nl
Bevestiging retentierecht bij beëindiging bouwovereenkomst en onvoltooide staat
In deze civiele zaak stond centraal of de aannemer ([gedaagde]) een retentierecht kon uitoefenen op een perceel dat eigendom is van Woonzorg, ondanks dat Woonzorg een ouder recht op het perceel had. De aannemer had werkzaamheden verricht voor Thuiszorg en Woonzorg, maar de bouw van een zorgvilla werd beëindigd wegens het niet verkrijgen van een onherroepelijke bouwvergunning.
De rechtbank oordeelde dat tussen Thuiszorg en de aannemer een geldige overeenkomst bestond waarop de U.A.V. 1989 van toepassing waren. De aannemer had een opeisbare vordering, onder meer bestaande uit staartkosten van 10% van de aanneemsom, en had het retentierecht rechtmatig ingeroepen. Woonzorg betwistte dit, onder meer met het argument dat de vordering te gering was en dat het retentierecht onaanvaardbaar was, maar deze verweren werden verworpen.
De rechtbank concludeerde dat het retentierecht terecht werd uitgeoefend en dat Woonzorg de last van het retentierecht moest dulden. De vorderingen van Woonzorg werden afgewezen en zij werden veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van Woonzorg af en bevestigt het rechtmatig retentierecht van de aannemer op het perceel.