ECLI:NL:RBOVE:2013:2946

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 november 2013
Publicatiedatum
28 november 2013
Zaaknummer
Awb 13/980
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 GrondwetArt. 120 GrondwetArt. 226 GemeentewetArt. 8:75 AwbArt. 26 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtmatigheid aanslag hondenbelasting door gemeente Kampen

Eiser werd door de gemeente Kampen aangeslagen voor hondenbelasting over één hond voor het jaar 2013. Hij maakte bezwaar tegen de aanslag en stelde dat het onderscheid tussen hondenbezitters en niet-hondenbezitters in strijd is met het gelijkheidsbeginsel van de Grondwet, omdat de opbrengst van de belasting in de algemene middelen vloeit en geen objectieve en redelijke grond bestaat voor dit onderscheid.

De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid tot het heffen van hondenbelasting is gebaseerd op artikel 226 van Pro de Gemeentewet en dat de gemeenteraad van Kampen deze bevoegdheid heeft uitgeoefend via een verordening. Het onderscheid tussen houders van honden en anderen is conform de wet en kan niet worden getoetst aan het discriminatieverbod van artikel 1 van Pro de Grondwet vanwege artikel 120 van Pro de Grondwet.

Wel toetst de rechtbank het onderscheid aan internationale discriminatieverboden en concludeert dat de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid heeft. De hondenbelasting is mede ingegeven door de kosten die gemeenten maken door hondenbevuiling. Dit rechtvaardigt het onderscheid tussen hondenbezitters en niet-hondenbezitters. De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de aanslag.

Er worden geen proceskosten toegewezen omdat geen bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag hondenbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
Zittingsplaats Zwolle
Registratienummer: AWB ZWO 13/980

uitspraak van de meervoudige belastingkamer in de zaak tussen

[eiser]

wonende te Kampen,
eiser,
en

de ambtenaar belast met de heffing van de gemeente Kampen,

verweerder.
12/1890

Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft eiser voor het jaar 2013 voor één hond een aanslag in de hondenbelasting opgelegd tot een bedrag van € 84,70. Bij uitspraak op bezwaar van 5 april 2013 heeft verweerder het tegen de beschikking gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak op bezwaar is op 3 mei 2013 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is op 4 november 2013 ter zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door C.J. Whien.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.
In artikel 1 van Pro de Grondwet is bepaald dat allen die zich in Nederland bevinden, in gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.
In artikel 120 van Pro de Grondwet is bepaald dat de rechter niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen treedt.
In artikel 226 van Pro de Gemeentewet is – voor zover hier van belang - bepaald dat ter zake van het houden van een hond van de houder een hondenbelasting kan worden geheven en dat de belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden.
In artikel 1 van Pro de Verordening op de heffing en invordering van hondenbelasting 2013 (de Verordening) van de gemeente Kampen is het belastbare feit omschreven. Onder de naam 'hondenbelasting' wordt een directe belasting geheven voor het houden van een hond binnen de gemeente.
In artikel 2 van Pro de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat de houder van een hond belastingplichtig is en dat als houder van een hond wordt aangemerkt degene die onder welke titel dan ook een hond onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is.
2.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in de gemeente Kampen woont en dat hij houder is van één hond.
3.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat er een objectieve en redelijke grond dient te bestaan voor het onderscheid tussen hondenbezitters en niet-hondenbezitters, indien de kosten die het hondenbezit voor de gemeente met zich brengen van wezenlijke betekenis zijn
voor het heffen van hondenbelasting. De omstandigheid dat de opbrengst van de hondenbelasting in de algemene middelen vloeit is geen objectieve en redelijke grond om de hondenbelasting alleen van hondenbezitters te heffen. Het in artikel 1 van Pro de Grondwet verankerde gelijkheidsbeginsel is geschonden en op grond daarvan dient aan de Verordening verbindende kracht te worden ontzegd. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit geen opgave gedaan van de kosten die het hondenbezit voor de gemeente Kampen met zich brengen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 januari 2013 (ECLI:NL:GHSHE:2013:BY9350).
4.
Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 18 oktober 2013 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:2013:917), waarin voormelde uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch is vernietigd, overweegt de rechtbank als volgt.
Op grond van artikel 226, eerste lid, van de Gemeentewet kan een hondenbelasting worden geheven ter zake van het houden van een hond. Van die bevoegdheid heeft de raad van de gemeente Kampen gebruik gemaakt door in artikel 1 van Pro de Verordening te bepalen dat onder de naam ‘hondenbelasting’ een belasting wordt geheven ter zake van het houden van een hond binnen de gemeente. Het onderscheid dat daarmee in de Verordening wordt gemaakt tussen houders van honden en andere personen, stemt overeen met het onderscheid dat op dit punt wordt gemaakt in artikel 226, eerste lid, van de Gemeentewet, een wet in formele zin. Gelet op het bepaalde in artikel 120 van Pro de Grondwet kan dit onderscheid daarom niet worden getoetst aan het discriminatieverbod dat is neergelegd in artikel 1 van Pro de Grondwet.
Wel kan het onderhavige onderscheid worden getoetst aan de discriminatieverboden die zijn opgenomen in artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR) en in artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarbij dient het uitgangspunt te zijn dat aan de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Het oordeel van de wetgever dient op dit punt te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond is ontbloot.
De bevoegdheid tot het heffen van hondenbelasting die de wet aan gemeenten geeft, is mede ingegeven door de kosten die voor gemeenten voortvloeien uit de bevuiling van openbare wegen en plaatsen door honden. De wetgever kon daarbij in redelijkheid uitgaan van de veronderstelling dat gemeenten in het algemeen kosten zullen moeten maken als gevolg van dergelijke bevuiling. Bij andere door mensen gehouden dieren pleegt bevuiling van openbare wegen en plaatsen zich niet of in mindere mate voor te doen. Daarom heeft de wetgever met de regeling in de Gemeentewet over de hondenbelasting, en de raad van de gemeente in navolging daarvan in de Verordening, in redelijkheid een onderscheid kunnen maken tussen houders van honden en andere personen.
Dit neemt niet weg dat de hondenbelasting is voorzien als een algemene belasting ten behoeve van de verwerving van inkomsten door de gemeente. In het licht daarvan gaat de betekenis van de kosten die voor een gemeente aan bevuiling door honden zijn verbonden niet zo ver, dat een gemeente die hondenbelasting heft voor haar gehele grondgebied, daarbij een relatie zou moeten leggen met de kosten die voor haar worden opgeroepen door het houden van honden binnen haar grenzen in het algemeen of door de hond(en) van de individuele belastingplichtige in het bijzonder (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2000, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:2000:AA6253). Ook een gemeentelijke wetgever die de heffing van hondenbelasting daar niet op afstemt, blijft binnen de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid als hiervoor bedoeld.
5.
Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder eiser terecht in de hondenbelasting heeft aangeslagen.
6.
Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.R. Schimmel, voorzitter, mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en mr. W.F. Bijloo, rechters, en door de voorzitter en H. Blekkenhorst als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op
Afschrift verzonden op: