Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
GEBO TOURS B.V.,
1.Het verdere verloop van de procedure
2.Het geschil
3.De vaststaande feiten
4.De standpunten van partijen
5.De verdere beoordeling
‘de collectieve arbeidsovereenkomst, als bedoeld voor leerlingen in het kader van de opleiding CTR’thans zonder effect. Gesteld noch gebleken is dat het beding in de arbeidsovereenkomst waarmee de cao van toepassing is verklaard, anders moet worden opgevat dan een incorporatiebeding met een dynamisch karakter. Dit brengt mee dat artikel 35 van Pro de cao onderdeel is gaan uitmaken van de contractuele verhouding van partijen. Nu de tekst van artikel 35 van Pro de cao 2009-2011 en van de cao 2012 identiek is, zal steeds van artikel 35 van Pro de cao worden gesproken.
‘binnen twee jaar na beëindiging van de cursus en/of opleiding vrijwillig het bedrijf verlaat’. Deze regeling ziet daarbij alleen op opleidingskosten van € 1.000,00 of meer en kent een tijdsevenredige vermindering per maand van de verplichting tot terugbetaling over die periode van twee jaar. Deze regeling beperkt een terugbetaling niet alleen in duur en daardoor naar omvang, maar ook tot enkel de situatie dat de werknemer het bedrijf vrijwillig verlaat. Hoewel dit ‘vrijwillig verlaten’ niet is toegelicht en er twijfel kan ontstaan of daaronder alleen verstaan dient te worden de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer of ook de situatie dat een werknemer weigert in te gaan op een aangeboden verlenging van de arbeidsovereenkomst, is wel afdoende duidelijk dat daaronder niet valt de situatie dat de werkgever het initiatief heeft genomen tot het beëindigen van de arbeidsrelatie dan wel die relatie niet wil voortzetten.
‘het afronden van de opleiding danwel het behalen van het rijbewijs of diploma’. Dit komt belang toe omdat [A] zijn rijbewijs D met code 95 al op 14 april 2010 heeft behaald, terwijl hij zijn diploma CTR in december 2010 heeft behaald. De ene startdatum zou leiden tot een einddatum van 14 april 2014, de andere tot een einddatum voor verhaal van december 2014.
‘binnen een termijn van vier jaar na in dienst te zijn getreden’. Kennelijk geldt dan niet wat daarvoor is bepaald, te weten dat ‘per jaar 25% van de kosten vervalt’ doch hoe dat zich kan verhouden tot een verval van een aanspraak is niet gedefinieerd of toegelicht.
‘op eigen verzoek (…) wordt ontslagen’. Dit is van belang omdat vervolgens is bepaald dat
‘de werkgever gedeeltelijke terugbetaling zal eisen op het moment dat de werknemer op eigen verzoek de arbeidsovereenkomst beëindigt’.
‘eigen verzoek’, als het gaat om de termijn waarbinnen een terugbetaling aan de orde kan komen. Hoe zich dat verhoudt met het door Gebo gestelde belang, te weten dat zij gedurende een bepaalde periode baat wil hebben van de door haar bekostigde opleiding, laat zich niet inzien.
‘dat er geen verwijtbare redenen zijn bij het beëindigen van het arbeidscontract’is evenmin verduidelijkt of toegelicht, anders dan dat daaronder niet valt
‘het eigen verzoek beëindigen van de arbeidsovereenkomst door de werknemer’. Zo laat deze zin geheel onduidelijk aan wier zijde geen verwijt valt te maken, wil een gedeeltelijke terugbetaling aan de orde komen. Indien daaronder valt een beëindiging van het arbeidscontract door de werkgever zonder dat de reden daarvoor aan de werknemer kan worden verweten of voor diens risico komt, valt niet zonder meer te begrijpen dat de werknemer desondanks tot vergoeding aan de werkgever van opleidingskosten is gehouden. Aan werknemer kan immers in zo’n situatie niet worden verweten dat de werkgever een te korte periode baat zou trekken van de bekostigde opleiding van de werknemer.
‘beëindigen van het arbeidscontract’. Dat daaronder begrepen dient te worden ‘het eindigen van het arbeidscontract’ ligt niet zonder meer voor de hand, gelet op relevantie in het arbeidsrecht van het verschil tussen een arbeidscontract voor bepaalde tijd en één voor onbepaalde tijd.