AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Betaling openstaande facturen en contractuele rente bij internationale koopovereenkomst
Eiseres, een Nederlands internationaal opererend bedrijf, vordert betaling van openstaande facturen en contractuele rente van gedaagde, een Italiaanse vennootschap, in een kort geding. Gedaagde is niet verschenen, waarna verstek is verleend.
De rechtbank Overijssel oordeelt dat zij bevoegd is op grond van het forumkeuzebeding in de algemene voorwaarden en past Nederlands recht toe, conform het rechtskeuzebeding en het Weens Koopverdrag. De betekening van de dagvaarding aan gedaagde is correct verlopen volgens de EG-betekenningsverordening.
De vordering tot betaling van € 52.596,76 met 1,5% rente per maand wordt grotendeels toegewezen, waarbij rente over rente wordt gematigd conform artikel 6:119 lid 2 BWPro. De buitengerechtelijke incassokosten worden gemaximeerd op € 1.246,76, lager dan gevorderd, wegens onvoldoende bijzondere werkzaamheden. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, rente, incassokosten en proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 36.132,20 plus contractuele rente en gematigde incassokosten, met proceskostenveroordeling.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer / rolnummer: C/08/152509 / KG ZA 14-73
Vonnis in kort geding van 30 april 2014
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
eiseres,
advocaat mr. C.P.B. Kroep te Enschede,
tegen
de vennootschap naar Italiaans recht
[gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats], Italië
gedaagde,
niet verschenen.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding,
de betekeningsstukken,
de op 22 april 2014 door eiseres overgelegde producties,
de pleitnota van eiseres,
de mondelinge behandeling,
het tijdens de behandeling tegen gedaagde verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing
2.1.
Eiseres vordert bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen bij wijze van voorschot tot betaling aan eiseres van een bedrag ter hoogte van € 52.596,76 + P.M., althans gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres bij wijze van voorschot van een bedrag in goede justitie door de voorzieningenrechter te bepalen, althans een voorlopige voorziening te treffen, te vermeerderen met de geconvenieerde rente van 1,5% per maand daarover, althans met een rente door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen, met veroordeling van gedaagde in de kosten van dit geding, waaronder de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 5.419,83, te vermeerderen met de nakosten ten bedrage van € 131,00 en € 199,00 ingeval van betekening van het in deze te wijzen vonnis.
2.2.
Eiseres stelt daartoe dat zij een Nederlands internationaal opererend bedrijf is dat flexibele folie verwerkt en producten en diensten levert met betrekking tot opslag- en afdekkingsoplossingen. In 2012 heeft eiseres drie ‘Air Blown Covers’ verkocht en geleverd aan gedaagde, die deze producten heeft gekocht en afgenomen. Gedaagde heeft tevens drie ‘Blowers Vacom’ en vier ‘Stainless Steel over- and underpressure devices’ gekocht en afgenomen. Eiseres heeft de ‘Air Blow Covers’ en toebehoren opgeleverd aan gedaagde, die op haar beurt de oplevering schriftelijk heeft aanvaard. Voor deze overeenkomsten zijn drie facturen opgemaakt, van in totaal € 142,013,00. Gedaagde heeft tot dusverre slechts
€ 105,880,80 betaald. Ondanks de opleveringen, herhaalde aanmaningen en pogingen in der minne is gedaagde in gebreke gebleven met betaling van de restantvorderingen. Gedaagde heeft erkend dat zij het totaalbedrag verschuldigd is aan eiseres. Eiseres stelt recht te hebben op betaling van haar openstaande facturen, een rente van 1,5% per maand over het onbetaalde gedeelte van de openstaande facturen en vergoeding van buitengerechtelijke kosten ten belope van 15% van het onbetaald gelaten gedeelte van de openstaande facturen.
3.De beoordeling
3.1
Partijen zijn gevestigd op het grondgebied van verschillende staten, waardoor deze zaak een internationaal karakter draagt.
Bevoegdheid rechtbank
3.2.
De bevoegdheid van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo dient te worden beoordeeld aan de hand van de bevoegdheidsregels van de EG-verordening 44/2001, betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna de EEX-Verordening). Onderhavig geschil valt immers materieel, formeel en temporeel onder het toepassingsgebied van de EEX-Verordening.
3.3.
Artikel 23 vanPro de EEX-Verordening bepaalt dat een gerecht van een lidstaat bevoegd is wanneer partijen, van wie er tenminste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, dat gerecht hebben aangewezen voor de kennisname van geschillen die naar aanleiding van de desbetreffende rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan. Partijen hebben door de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden een forumkeuzebeding gemaakt. Zij hebben de Nederlandse rechter, en in het bijzonder de rechter in Almelo, aangewezen als de bevoegde rechter om van de onderhavige vordering kennis te nemen. Gelet hierop is de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen.
Toepasselijk recht
3.4.
Nederland en Italië zijn beide partij bij het op 11 april 1980 te Wenen gesloten Verdrag der Verenigde naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken (hierna: het Weens Koopverdrag). Voorts gaat het in de onderhavige zaak om een koopovereenkomst met betrekking tot roerende zaken die niet van het toepassingsgebied van het Weens Koopverdrag is uitgesloten. Daarom gelden voor deze koopovereenkomst de bepalingen van dit verdrag, voor zover daarvan niet door partijen is afgeweken. Partijen zijn in dit geval van het verdrag afgeweken door een rechtskeuzebeding overeen te komen op grond waarvan het Nederlandse recht van toepassing is verklaard op de onderhavige vordering. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter Nederlands recht toepassen op de onderhavige vordering.
Betekening
3.5.
Aangezien gedaagde in Italië is gevestigd, is de EG-verordening 1393/2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (hierna: de betekeningsverordening) van toepassing. Op grond van de betekeningsverordening dient betekening plaats te vinden via verzending van de dagvaarding aan de door Italië aangewezen ontvangende instantie. Wanneer alle formele handelingen met betrekking tot de betekening zijn verricht, dient de ontvangende instantie ingevolge artikel 10 vanPro de betekeningsverordening een certificaat van betekening op te stellen en aan de verzendende instantie te zenden. Gelet op het overgelegde certificaat van betekening en de aanvullende stukken ten aanzien van de betekening, is aannemelijk geworden dat de betekening overeenkomstig de voorschriften van de betekeningsverordening heeft plaatsgevonden en het exploot gedaagde daadwerkelijk en tijdig heeft bereikt. Gedaagde heeft vanaf 20 maart 2014 gelegenheid gehad om, desgewenst, verweer te voeren, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Gedaagde is niet verschenen.
Inhoudelijke beoordeling
3.6.
Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen. Nu gedaagde niet is verschenen verleent de voorzieningenrechter verstek tegen haar.
3.7.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft eiseres voldoende aannemelijk gemaakt spoedeisend belang te hebben bij het gevorderde.
3.8.
Nu gedaagde niet ter zitting is verschenen moeten de door eiseres gestelde feiten en omstandigheden als vast staand worden aangenomen.
3.9.
De vordering komt onrechtmatig noch ongegrond voor en kan daarom worden toegewezen, behoudens het navolgende.
3.10.
Eiseres vordert een bedrag van € 52.596,76 + p.m, te vermeerderen met de geconvenieerde rente van 1,5% per maand daarover. Uit het lichaam van de dagvaarding blijkt dat in het genoemde bedrag de rente is inbegrepen tot en met 28 februari 2014. Indien en voor zover eiseres rente op rente vordert is deze gelet op het bepaalde in artikel 6:119 lid 2 BWPro niet toewijsbaar over de reeds berekende rente voor zover deze niet over een geheel jaar verschuldigd is, nu niet is gesteld dat partijen een verdergaande verschuldigdheid zijn overeengekomen. In het lichaam van de dagvaarding is immers gesteld dat gedaagde 1,5% rente per maand verschuldigd is, te rekenen vanaf de vervaldag van de facturen tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat een gedeelte van een maand wordt aangemerkt als een volledige maand. Hetgeen eiseres vordert volgt derhalve niet uit haar stellingen.
3.11.
De gevorderde post p.m. betreft kosten waarvan het onzeker is of zij zullen worden gemaakt, of het redelijkerwijs noodzakelijk is dat zij zullen worden gemaakt en of de omvang daarvan redelijk zal zijn. Derhalve zal dit onderdeel van de vordering – als niet steunend op het recht – worden afgewezen.
3.12.
Gelet hierop zal de voorzieningenrechter de hoofdsom van € 36.132,20 toewijzen, vermeerderd met de contractuele rente van 1,5% per maand over de afzonderlijke factuurbedragen vanaf de diverse vervaldata van die facturen tot de dag van volledige betaling, een en ander met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:119 lid 2 BWPro.
3.13.
De rechtbank hanteert bij de beoordeling van de buitengerechtelijke incassokosten de per 1 juli 2012 in werking getreden Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het daarbij behorende Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (verder: het Besluit). Ingevolge artikel 2 vanPro het Besluit, waarin de wettelijke staffel is opgenomen, bedragen de buitengerechtelijke incassokosten in een zaak als de onderhavige, waarin de hoofdsom is gelegen tussen de € 10.000,- en de € 200.000,--, € 875,-- + 1% over (de hoofdsom - € 10.000,--), met een maximum van € 2.775,--. In casu bedragen de door eiseres in redelijkheid te vorderen buitengerechtelijke incassokosten op basis van de staffel maximaal € 1.246,76. De vordering van € 5.419,83 gaat dit bedrag derhalve ver te boven. Slechts indien sprake is van bijzondere (incasso)werkzaamheden kan een vergoeding voor daadwerkelijk gemaakte buitengerechtelijke kosten worden toegewezen die het bedrag dat voor vergoeding in aanmerking komt op grond van de wettelijke staffel te boven gaat. De door eiseres omschreven werkzaamheden acht de rechtbank onvoldoende om van de wettelijke staffel af te wijken, zodat zij de gevorderde buitengerechtelijke kosten matigt tot een bedrag van € 1.246,76.
3.14.
De kosten van betekening van een vonnis komen in beginsel als nakosten voor rekening van de veroordeelde partij. Hierbij geldt volgens de bepalingen van het liquidatietarief rechtbanken en hoven echter wel de voorwaarde dat de veroordeelde partij gedurende veertien dagen na een daartoe strekkende aanschrijving de mogelijkheid heeft gehad om vrijwillig aan het vonnis te voldoen. De gevraagde vergoeding van de kosten van betekening van het vonnis zal hierna dan ook worden toegewezen mits voornoemde termijn van veertien dagen in acht is genomen.
3.15.
Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiseres worden begroot op:
- dagvaarding € 77,52
- griffierecht 1.892,00
- salaris advocaat 579,00
Totaal € 2.548,52
4.De beslissing
De voorzieningenrechter
4.1.
verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagde,
4.2.
veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen een bedrag van € 36.132,20 (zesendertig duizendéénhonderdtweeëndertig euro en twintig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 1,5% per maand over de afzonderlijke factuurbedragen vanaf de diverse vervaldata van die facturen tot de dag van volledige betaling, een en ander met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:119 lid 2 BWPro,
4.3.
veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op € 2.548,52,
4.4.
veroordeelt gedaagde in de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.246,76,
4.5.
veroordeelt gedaagde in de nakosten van deze procedure ten bedrage van respectievelijk € 131,-- zonder betekening en € 199,-- in geval van betekening, indien en voor zover gedaagde niet binnen een termijn van veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan,
4.6.
verklaart de dictumonderdelen 4.2., 4.3. en 4.4. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.G. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken op
30 april 2014 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]