ECLI:NL:RBOVE:2014:3878

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 juli 2014
Publicatiedatum
11 juli 2014
Zaaknummer
08/910008-14
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 91 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor langdurig vervoeren, verkopen en afleveren van hennep

De rechtbank Overijssel heeft op 3 juli 2014 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die tussen 30 november 2011 en 28 oktober 2012 te Apeldoorn, Zwolle en elders in Nederland tientallen kilo’s hennep heeft vervoerd, verkocht en afgeleverd. Verdachte ontkende het verkopen, maar bekende het vervoeren en afleveren. De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook heeft verkocht, mede op basis van sms-berichten, observaties en tapgesprekken.

De verdediging voerde aan dat rekening gehouden moest worden met het Nederlandse gedoogbeleid, maar de rechtbank verwierp dit omdat verdachte buiten een gedoogde inrichting handelde en geen exploitant van een coffeeshop was. Verdachte had eerder een veroordeling op zijn naam staan en leek hiervan geen lering te hebben getrokken.

Gezien de ernst van het feit, de aard van de hennephandel en de omstandigheden van de zaak, legde de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op, waarbij rekening werd gehouden met eerdere opgelegde straffen en de ouderdom van de feiten. De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor het vervoeren, verkopen en afleveren van hennep.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht - meervoudige kamer
Locatie Zwolle
Parketnummer: 08/910008-14
Uitspraak: 3 juli 2014

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het Openbaar Ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres] (volgens opgave van verdachte ter terechtzitting).

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op de openbare zitting van
19 juni 2014. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. dr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn. Als officier van justitie was aanwezig mr. H.J. Timmer.

TENLASTELEGGING

De verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 november 2011 tot en met 28 oktober 2012 te Apeldoorn en/of Zwolle en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, één of meer kilogram(men) hennep en/of hennepstekken en/of hennepplanten en/of delen daarvan, althans een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of vervoerd en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan (een) ander(en), in elk geval aanwezig gehad (telkens) (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of hennepstekken en/of hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd verdachte te veroordelen ter zake van het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich - overeenkomstig de inhoud van de door hem aan de rechtbank overgelegde schriftelijke pleitnota - op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte hennep heeft vervoerd en afgeleverd. Verdachte ontkent met klem dat hij ook hennep heeft verkocht zodat hij van dit onderdeel dient te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft ter terechtzitting zijn betrokkenheid bij het vervoeren en afleveren van hennep aan [betrokkene] bekend. Gelet op het aanvullend bewijsmateriaal in de vorm van camerabeelden, observaties en tapgesprekken, zoals deze later in een eventueel op te maken aanvulling bij dit vonnis zullen worden opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte niet alleen hennep heeft vervoerd en afgeleverd, maar ook heeft verkocht. De rechtbank heeft geen redenen om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die bewijsmiddelen te twijfelen.
De rechtbank overweegt in het bijzonder als volgt.
Uit het dossier blijkt dat sinds 30 november 2011 negentien keer is waargenomen dat verdachte tassen kwam halen of brengen bij [betrokkene]. In onder meer een sms-bericht van 21 januari 2012 vraagt verdachte aan [betrokkene] ‘moet je 3 P voor 38.5’?.
Op 9 maart 2012 stuurt verdachte een sms-bericht aan [betrokkene] met de tekst ‘Wil je die H morgen 6.5 voor 51 hele mooie geen kruimels netjes’? Op 17 april 2012 sms‘t verdachte aan [betrokkene] “ik hier 6 ons mooi h v 48 meenemen gelijk?” Omdat verdachte geen, dan wel geen geloofwaardige alternatieve verklaring heeft gegeven voor dit taalgebruik, leest de rechtbank het voorgaande als berichten over de soort hennep, hoeveelheden en prijzen per kilo. Bovendien is op de beelden van de observatiecamera waargenomen dat verdachte niet alleen tassen kwam halen bij [betrokkene], maar hem ook tassen bracht. De verklaring van verdachte dat hij de hennep in tassen ophaalde bij [betrokkene] en de lege tassen later weer terugbracht, acht de rechtbank gelet op de inhoud van genoemde sms-berichten, volstrekt onaannemelijk. Ook de verklaring van de ter terechtzitting als getuige gehoorde [betrokkene] dat verdachte nimmer hennep aan hem heeft verkocht, is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het voorgaande, ongeloofwaardig en geen reden om tot vrijspraak van dit onderdeel te komen zoals de raadsman heeft bepleit.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 30 november 2011 tot en met 28 oktober 2012 te Apeldoorn en Zwolle
opzettelijk kilogrammen hennep heeft vervoerd en verkocht en afgeleverd, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezenverklaarde levert op:
Het misdrijf:
Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
strafbaar gesteld bij artikel 11 van Pro de Opiumwet.
De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

STRAFBAARHEID van de VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen acht gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht - gelet op de actuele jurisprudentie met betrekking tot het vervoeren en afleveren van drugs ter bevoorrading van coffeeshops – om verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden
waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,
zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de
na te noemen beslissing passend.
Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft ten aanzien van het vervoeren, afleveren, verkopen en aanwezig hebben van hennep geen oriëntatiepunten vastgesteld. De rechtbank houdt bij het bepalen van de op te leggen straf rekening met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Verdachte, in het dagelijks leven belast met de inkoop van coffeeshop [coffeeshop] in [plaats], heeft gedurende een periode van bijna elf maanden, tientallen kilo’s hennep vervoerd, verkocht en afgeleverd. Van hennep is algemeen bekend dat het de gezondheid van de gebruikers kan schaden en dat het verslavend kan werken. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het criminele circuit waarin deze softdrugs in illegale kwekerijen worden geproduceerd en waarin buiten de reguliere en legale economie om winst wordt gemaakt met de handel en export.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat bij de straftoemeting rekening zou
moeten worden gehouden met de halfslachtigheid van het geldende gedoogbeleid in
Nederland. Het gedoogbeleid is in de onderhavige zaak niet aan de orde omdat verdachte
buiten een door de gemeente gedoogde inrichting hennep heeft verkocht. Bovendien is
verdachte geen exploitant van een coffeeshop die in die hoedanigheid terecht staat wegens
handelen in strijd met de zogenaamde AHOJG-criteria. Het verweer mist daarom feitelijke
grondslag en wordt verworpen.
Uit het uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld in verband met de Opiumwet. Daaruit lijkt verdachte geen lering te hebben getrokken. De rechtbank acht daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen.
Wel zal de rechtbank in verband met een door de meervoudige strafkamer Zutphen op
5 oktober 2012 opgelegde straf rekening houden met artikel 63 Sr Pro. Ook neemt de rechtbank ten voordele van verdachte in aanmerking dat de feiten thans bijna 20 maanden oud zijn.
De rechtbank is - alle voormelde omstandigheden in aanmerking nemende - van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden moet worden opgelegd.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:
vrijspraak/bewezenverklaring
  • verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid
  • verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
strafbaar gesteld bij artikel 11 van Pro de Opiumwet
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, mr. G.J. Stoové en
mr. M.H. van der Lecq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Krooshof, griffier
en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2014.