Eiser vroeg een verklaring van geen bezwaar (VGB) aan voor indiensttreding als militair bij de Koninklijke Marechaussee. Verweerder weigerde deze verklaring vanwege eerdere veroordelingen van eiser voor diefstal en openlijke geweldpleging. Eiser voerde aan dat het om jeugdzonden ging en dat hij sindsdien niet meer met het strafrecht in aanraking was gekomen. Tevens wees eiser op een eerdere verklaring voor particuliere beveiliging.
De rechtbank oordeelde dat verweerder ten onrechte niet alle relevante persoonlijke omstandigheden van eiser had meegewogen, zoals zijn aandeel bij de delicten, zijn leeftijd ten tijde van de feiten en de verstreken tijd sinds de delicten. Ook werd de brief van de Korpschef, die toestemming gaf voor particuliere beveiliging, onvoldoende betrokken in de beoordeling.
De rechtbank stelde vast dat verweerder de motivering van het besluit pas ter zitting wilde aanvullen met een strengere grondslag, wat niet is toegestaan. Het besluit werd daarom vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder moet opnieuw op het bezwaar beslissen met inachtneming van de relevante omstandigheden. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten.