Uitspraak
[veroordeelde],
wonende te [woonplaats],
Rechtbank Overijssel
De rechtbank Overijssel behandelde op 22 juli 2014 de ontnemingsvordering tegen veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor medeplegen van handel in hennep en amfetamine. De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van € 50.742,77, maar bracht dit terug met aftrek van opbrengsten van twee onderschepte henneptransporten.
Veroordeelde was niet verschenen, maar werd vertegenwoordigd door zijn raadsman. De rechtbank verwierp het primaire verweer van afwijzing vanwege het hoger beroep in de hoofdzaak en ook het subsidiaire verweer dat het voordeel gedeeld moest worden met mededaders vanwege gebrek aan onderbouwing.
De rechtbank baseerde zich op het vonnis van 18 februari 2014 en een financieel rapport om het wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten. Voor de henneptransporten werd een netto voordeel van € 19.777,92 vastgesteld, voor de aflevering van hennep aan derden € 3.000,-- en voor hennepstekken € 1.520,--, samen € 24.297,--.
De rechtbank achtte het aannemelijk dat veroordeelde dit bedrag kon betalen en legde hem de verplichting op dit bedrag aan de Staat te voldoen. De beslissing werd genomen op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht. Het vonnis werd gewezen door Hendriks, Stoové en van der Lecq.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van € 24.297 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.