ECLI:NL:RBOVE:2014:4154
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verzet tegen boete wegens ontbreken adellijke titel in sanctiebeschikking
Betrokkene, die een adellijke titel voert, maakte bezwaar tegen een opgelegde boete voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden. Hij stelde dat de boete niet voor hem bestemd was omdat zijn adellijke titel niet vermeld stond op de sanctiebeschikking en aanmaningen. De rechtbank overwoog dat artikel 5 van Pro de Wet op de adeldom (Woa) weliswaar vereist dat adellijke titels op officiële documenten vermeld worden, maar dat het ontbreken daarvan niet leidt tot nietigheid van de sanctie of het verhaal zonder dwangbevel.
De rechtbank stelde vast dat de boete en aanmaningen aan het juiste adres waren verzonden en dat betrokkene redelijkerwijs kon weten dat de documenten voor hem bestemd waren. De wettelijke verplichting tot vermelding van de volledige naam is vooral bedoeld om duidelijkheid te verschaffen over de geadresseerde, maar de adellijke titel heeft een andere betekenis, namelijk het tonen van respect en traditie. Het niet vermelden van de titel raakt niet de rechtsgeldigheid van de boete.
De rechtbank concludeerde dat de omissie van de adellijke titel vooral voortkomt uit onwetendheid van de ambtenaren, maar dat dit geen reden is om de sanctie te vernietigen. Wel werd het door betrokkene betaalde griffierecht vergoed op grond van artikel 26, zevende lid, WAHV. Het verzet werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het verzet tegen de boete wordt ongegrond verklaard, maar het betaalde griffierecht wordt vergoed.