De zaak betreft een geschil tussen Deutsche Bank en [X, Y en Z] over de aansprakelijkheid voor een kredietfaciliteit verstrekt aan een groep vennootschappen en personen. De kredietnemers hadden een lening en rekening-courantkrediet bij Deutsche Bank, met hoofdelijk verbonden aansprakelijkheid van [X, Y en Z]. Na beëindiging van de achterstelling van een lening van een derde partij ([B]) en het faillissement van de vennootschap [C], eiste Deutsche Bank volledige terugbetaling van de schuld.
[X, Y en Z] stelden dat Deutsche Bank haar zorgplicht had geschonden door zonder overleg de achterstelling te beëindigen en door niet in te gaan op hun voorstel om de kredietfaciliteiten voort te zetten na het faillissement. De rechtbank overwoog dat de beëindiging van de achterstelling niet eenzijdig was en dat er sprake was van instemming door de kredietnemers, gelet op de betaling van de restantkoopprijs.
Verder stelde de rechtbank vast dat Deutsche Bank niet verplicht was om na het faillissement de kredietfaciliteiten voort te zetten, mede gelet op de maatschappelijke functie en zorgplicht van banken. Er was geen sprake van schending van de redelijkheid en billijkheid. De vorderingen van Deutsche Bank werden daarom toegewezen en de vordering van [X, Y en Z] tot schadevergoeding afgewezen.