Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
in kort geding van 16 december 2014
1.De procedure
2.De feiten
(…)
3.Het geschil
4.De beoordeling
De voorzieningenrechter kan [eiser] daarin niet volgen. Volgens artikel 3:324, eerste lid, BW verjaart de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een vonnis door verloop van twintig jaar – kort gezegd – na de dag van de uitspraak. [gedaagde] is dus nog altijd bevoegd het vonnis uit 2007 te executeren, ook wat betreft de dwangsommen. Voor zover [eiser] bedoelt dat sprake is van in 2007 verbeurde dwangsommen kan dit evenmin leiden tot enig gevolg. Deze liggen immers niet ten grondslag aan het onderhavig beslag.
Overigens heeft [eiser] voor het aanwezig hebben van dat puin uitgerekend op het litigieuze overpad ook geen in redelijkheid te respecteren belang aangevoerd. Ter terechtzitting heeft [eiser] uiteengezet dat hij het puin te gelegener tijd wil aanwenden voor het aanbrengen van een keerwand ten behoeve van een aan te leggen parkeerplaats, maar daarmee is nog geen reden gegeven voor de aanwezigheid van dit puin langs het pad in plaats van op een grote stapel op een plaats waar [gedaagde] niet in zijn recht van overpad wordt gehinderd.
5.De beslissing in kort geding
€ 1.098,00;