Klaagster heeft als derde-belanghebbende een klaagschrift ingediend tegen conservatoir beslag gelegd op een aantal gouden munten, goudstaven en een personenauto. Het beslag werd gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar deelname aan een criminele organisatie. Klaagster stelt eigenaar te zijn van de inbeslaggenomen voorwerpen en vordert teruggave.
De rechtbank Overijssel oordeelt dat het klaagschrift ontvankelijk is, maar dat klaagster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij rechthebbende is van de voorwerpen. De raadkamer neemt in aanmerking dat de gouden voorwerpen en auto in beslag zijn genomen onder andere verdachten die niet zijn verschenen en geen klaagschrift hebben ingediend. Een belanghebbende verklaarde dat de voorwerpen aan klaagster toebehoren, maar dit wordt niet als voldoende bewijs geacht.
De rechtbank weegt het belang van de strafvordering mee en acht het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter in hoger beroep de verbeurdverklaring van de voorwerpen zal bevelen. Ook is er een vermoeden dat klaagster zich als rechthebbende heeft gepresenteerd met het doel de uitwinning van wederrechtelijk verkregen voordeel te bemoeilijken. Daarom wordt het klaagschrift ongegrond verklaard.