Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], te Deventer, eiser
Uwv),verweerder
Rechtbank Overijssel
Eiser ontving een WAO-uitkering die door het UWV werd herzien en verlaagd vanwege niet doorgegeven inkomsten uit arbeid in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 30 april 2014. Het UWV vorderde een bedrag van €15.681,64 terug wegens te veel betaalde uitkering. Eiser stelde dat hij niet wist dat hij wijzigingen moest doorgeven en dat zijn psychische gesteldheid een dringende reden vormde om terugvordering te matigen.
De rechtbank oordeelde dat eiser zijn mededelingsplicht had geschonden, aangezien hij al geruime tijd WAO-uitkering ontving en op de hoogte had moeten zijn van zijn verplichtingen. Het UWV had terecht de uitkering verlaagd op grond van artikel 44 van Pro de WAO. Echter, de rechtbank vond op basis van medische stukken dat de gezondheidssituatie van eiser aanzienlijk was verslechterd, met ernstige depressieve klachten en een suïcidepoging, waardoor sprake was van onaanvaardbare sociale gevolgen.
Daarom besloot de rechtbank dat er een dringende reden was om van terugvordering af te zien. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen voor zover het de terugvordering betrof. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank ziet af van terugvordering van de WAO-uitkering wegens onaanvaardbare sociale gevolgen en vernietigt het bestreden besluit voor dat deel.