Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De procedure
2.De feiten
[adres 1] te [plaats] en de verplichting tot koop van een woonhuis gelegen aan de [adres 2] te [plaats] voor een koopsom van € 1.670.000,00. HOG is haar verplichtingen uit deze koopovereenkomst niet nagekomen. HOG is op grond van genoemde koopovereenkomst een boete aan [eiser] verschuldigd van € 167.000,00.
3.De vordering van [eiser]
- in de buitengerechtelijke kosten van [eiser] tot een bedrag van € 925,00 te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;
- in de kosten van deze procedure, alsmede de curator te veroordelen tot betaling van de nakosten tot een bedrag van € 131,00, dan wel indien betekening van het vonnis plaatsvindt, tot een bedrag van € 199,00, waarbij betaling dient te geschieden binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis respectievelijk binnen veertien dagen na dagtekening van de betekening, bij gebreke waarvan de curator de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro verschuldigd is over de proceskosten en nakosten tot aan de dag van volledige betaling.
een bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure aanhangig heeft gemaakt, is nu juist de reden dat [eiser] een rechtstreeks en voldoende belang heeft bij openlegging van de administratie.
“het belang bij opheldering (en onderbouwing) van de gang van zaken die tot het faillissement geleid heeft (dit overigens mede met het oog op mogelijke aansprakelijkheid van derden, en in zoverre in een verband dat het belang van de schuldeiser in dit faillissement te buiten gaat)”. Ook A-G Verkade lijkt in zijn conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 23 maart 2007 (LJN BA0575) uit te gaan van deze ruime uitleg van het artikel. Van Andel sluit zich bij het voorgaande aan, maar meent wel dat het artikel ruimte laat voor een afweging van het belang van de individuele crediteur tegenover het belang van de boedel (Hof Den Haag 25 september 2007, JOR 2007/287 m.nt. Van Andel). De tekst van de wet noch de ratio dwingt tot die beperkte uitleg, aldus Van Andel in zijn noot onder het arrest van het Hof Arnhem van 12 mei 2009 (JOR 2009, 69):
4.Het verweer van de curator
(JOR 2014/285) ging om een niet vergelijkbare zaak. Het betrof immers een procedure tussen een ex-bestuurder en de curator. Daarnaast ging het niet om een vordering ex artikel 3:15j sub d BW, maar om een vordering ex artikel 843a Rv.
5.De beoordeling
(Hoge Raad 17 oktober 2003, NJ 2004, 282). Aan [eiser] komt derhalve in dit kader geen vorderingsrecht toe.
1 punt +