Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
verder te noemen de curator,
1.[gedaagde 1],
verder te noemen [gedaagde 1],
2.2. [gedaagde 2],statutair gevestigd te [vestigingsplaats], kantoorhoudende te [plaats],gedaagde,niet verschenen.
Nadien heeft [gedaagde 1] een akte en de Curator een antwoordakte genomen en hebben partijen wederom vonnis verzocht.
1. [G], met wie [gedaagde 1] sedert 1998 tot 2010 in gemeenschap van goederen gehuwd is geweest, was (destijds) financieel directeur van Weyl Beef Products B.V. (“Weyl”), die in mei 2010 failliet is verklaard.
Eerder hadden curatoren al een vonnis [2] tegen [G] verkregen tot betaling aan de boedel van een hem regarderende rekening-courantschuld van € 115.133,53.
Deze facturen moesten worden en zijn betaald door [X] op een bankrekening van [gedaagde 1] [5] . De laatste factuur d.d. 21 september 2012 werd op 24 september 2012 –dus twee dagen voor het faillissement van [G]- op die wijze betaald.
7. Op grond van vorenstaande feiten stelt de Curator dat [gedaagde 1] c.s. zich schuldig hebben gemaakt aan medeplegen/medeplichtigheid van bedrieglijke bankbreuk (artikel 341 en Pro 343 WvSr) door op deze wijze(s) voor [G] bestemde gelden te onttrekken aan het (mogelijke) verhaal voor zijn schuldeisers c.q. het zicht daarop van de Curator vanuit de faillissementsboedel van [G].
Door de inkomsten althans die gelden buiten de boedel om te leiden naar eigen bankrekening(en) in het vooruitzicht van het (onontkoombare) faillissement van [G] hebben [gedaagde 1] c.s. volgens de Curator onrechtmatig jegens de boedel gehandeld.
Bij conclusie van repliek heeft de Curator de grondslag van zijn vordering uitgebreid met die van ongerechtvaardigde verrijking waar voor die betalingen aan [gedaagde 1] geen redelijke grond aanwezig was.
Voorts is [gedaagde 1] als enig aandeelhouder/bestuurder van [gedaagde 2] op grond van
artikel 2:9 jo Pro 6:6 BW hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van € 30.250,-- dat
ten onrechte van [X] heeft ontvangen.
In totaal vordert de Curator van [gedaagde 1] een bedrag van € 185.546,-- vermeerderd met wettelijke rente.
10. [gedaagde 1] erkent de gestelde feiten, met name de ontvangst in de periode januari-september 2012 op haar bankrekening van het door Harmax aan [X] gefactureerde bedrag ad € 155.295,--.
[gedaagde 1] stelt echter dat zulks in overleg met [G] is geschied, van wie zij uit hoofde van de echtscheiding in 2010 nog een bedrag van € 150.000,-- had te verrekenen/vorderen.
De grond daarvoor was niet opgenomen in het echtscheidingsconvenant [7] , maar hield verband met de pensioenverevening.
Wat betreft de gang van zaken binnen [gedaagde 2] erkent [gedaagde 1] vanaf 4 maart 2013 enig aandeelhouder/bestuurder te zijn geweest, maar verder van niets geweten te hebben, alles zou door [G] buiten haar om zijn afgehandeld, bovendien grotendeels -zo niet geheel- vóór de tijd dat zij als bestuurder te boek stond.
Mitsdien acht zij zich niet gehouden tot enige betaling aan de boedel noch op grond van onrechtmatige daad dan wel ongerechtvaardigde verrijking.
11. Deze heeft verstek laten gaan.
Omtrent de feitelijke gang van zaken verschillen de Curator en [gedaagde 1] c.s. (nagenoeg) niet van mening. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aan enige partij gelegenheid tot bewijslevering te geven.
In deze procedure is nog gesteld [9] dat die betaling met de pensioenverevening tussen [G] en [gedaagde 1] te maken had; zulks ten onrechte omdat, voor zover daarvan in het echtscheidingsconvenant sprake is, dat ziet op de termijn van twee jaar als bedoeld in artikel 2 lid 2 van Pro de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, niet op enige vorm van financiële verrekening.
Op die grond is [gedaagde 1] naar het oordeel van de rechter gehouden het ontvangen bedrag alsnog aan de boedel en dus de Curator te vergoeden.
Eveneens staat vast dat in de periode februari en maart 2013 door [gedaagde 2] (maar niet de persoon [N]) een drietal facturen, gedateerd 2-2-2013, 14-2-2013 en 11-3-2013 [10] aan [X] zijn gezonden vanwege een zogenaamd en verder onbekend coaching traject in totaal ten bedrage van € 30.250,--, zomede dat genoemde persoon [N] daarmede niets te maken heeft gehad.
Zij heeft niets met die facturen te maken (gehad), evenmin kan/wil zij iets zeggen omtrent hetgeen met die door [gedaagde 2] op die facturen ontvangen gelden is geschied en houdt zij zich ook overigens geheel van de domme.
Zulks is evenzo een bedrieglijke schijnvertoning en mitsdien een vorm van onbehoorlijk bestuur en leidt tot aansprakelijkheid van [gedaagde 1] als bestuurder van [gedaagde 2] met de verplichting aan de boedel het op die wijze misgelopen bedrag te vergoeden.
23. De vorderingen van de Curator zijn als in hierna uit te spreken dictum toewijsbaar en [gedaagde 1] zal als in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld.
De vordering tegen [gedaagde 2], tegen wie verstek is verleend en die geen verweer heeft gevoerd, zal het door de Curator gevorderde, eveneens met kostenveroordeling, worden toegewezen.
€ 356,83 (€ 194,53+€ 78,59+€ 83,71) aan deurwaarderskosten en hoofdelijk -des dat één betalende, de ander zal zijn gekweten, tot € 1.474,-- aan griffierechten.
Veroordeelt [gedaagde 2] in de advocaatkosten van de Curator groot
€ 1.158,-- (2p tarief III).