ECLI:NL:RBOVE:2015:2999

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
25 juni 2015
Publicatiedatum
25 juni 2015
Zaaknummer
08/994508-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 MeststoffenwetArt. 2.3 Wet algemene bepalingen omgevingsrechtArt. 2 lid 3 VarkensbesluitArt. 36 lid 1 Gezondheids- en welzijnswet voor dierenArt. 37 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Verwijzingen
27 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling rechtspersoon voor overtredingen Meststoffenwet, omgevingsvergunning en dierenwelzijn

De Rechtbank Overijssel heeft op 25 juni 2015 uitspraak gedaan in een zaak tegen een rechtspersoon, [X] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], wegens meerdere overtredingen. De tenlastelegging betrof onder meer het houden van meer varkens dan toegestaan volgens het varkensrecht, het niet naleven van voorschriften uit een omgevingsvergunning, het niet permanent beschikbaar stellen van voldoende drinkwater aan varkens, het veroorzaken van pijn of letsel aan dieren zonder redelijk doel en het onthouden van de nodige verzorging aan dieren.

De verdediging voerde onder meer aan dat vervolging geen maatschappelijk belang diende vanwege het faillissement van de rechtspersoon en dat de strafbare feiten niet aan haar konden worden toegerekend. De rechtbank verwierp deze verweren en oordeelde dat de rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk is voor de gedragingen binnen de onderneming, ook al werd er op afstand bestuurd.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de rechtspersoon de overtredingen had begaan zoals omschreven in de tenlastelegging. De strafbaarheid werd vastgesteld op grond van diverse artikelen uit de Meststoffenwet, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Varkensbesluit, Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en Wet dieren.

De rechtbank legde een geldboete op van vijftienduizend euro voor vier misdrijven en één overtreding, en een afzonderlijke boete van vijfduizend euro voor een specifieke overtreding. De rechtbank sprak de rechtspersoon vrij voor zover meer of anders ten laste was gelegd dan bewezen verklaard.

Deze uitspraak benadrukt het belang van naleving van milieuwetgeving en dierenwelzijnsvoorschriften door rechtspersonen en bevestigt hun strafrechtelijke aansprakelijkheid ook bij indirect bestuur.

Uitkomst: Rechtspersoon veroordeeld tot betaling van een geldboete van in totaal €20.000 wegens meerdere overtredingen van milieuwetgeving en dierenwelzijnsvoorschriften.

Uitspraak

Parketnummer: 08/994508-14
STRAFVONNIS
(Schriftelijk vs Ec.PR)
Uitspraak: 25 juni 2015
De
economischepolitierechterin de Rechtbank Overijssel, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie, tegen:

[X] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],
terechtstaande ter zake dat:
1.
zij te [plaats], althans in Nederland, al dan niet
opzettelijk op een bedrijf met het BRS-nummer [xxxx] en/of het BRS-nummer
[yyyy], gelegen aan of nabij de [adres], gemiddeld in het
kalenderjaar 2012 1965,2 varkenseenheden, in elk geval een groter aantal
varkens, heeft gehouden dan het op dat bedrijf rustende varkensrecht;
(Zaak C)
art 19 Meststoffenwet Pro
2.
zij te [plaats], op of omstreeks 30 augustus 2013,
althans in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 augustus
2013, al dan niet opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een voorschrift
van een omgevingsvergunning, afgegeven de dato 24 februari 2009, dat
betrekking heeft op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, immers
werd het hemelwater niet uit de tankput of opvangbak van een dieselolietank
afgevoerd door een leiding waarin buiten en zo dicht mogelijk hij de omwalling
of wand een afsluiter was aangebracht (een af dak was niet aangebracht)
(voorschrift 16.3.5);
(Zaak E)
art 2.3 ahf/sub a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
art 2.3 ahf/sub b Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
3.
zij op of omstreeks 4 september 2013, te [plaats], 2680,
althans een aantal varkens heeft verzorgd, niet overeenkomstig de artikelen 12
en 13 van het Varkensbesluit, aangezien voornoemde varkens, ouder dan 2 weken,
niet permanent beschikten over voldoende vers drinkwater;
(Zaak B)
art 2 lid 3 Varkensbesluit Pro
4.
zij in of omstreeks de periode van 1 juni 2013 tot en met 30 augustus 2013, te
[plaats], zonder redelijk doel of met overschrijding van
hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een aantal dieren
pijn of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid of het welzijn van een
aantal dieren heeft benadeeld, immers bleek op of omstreeks 30 augustus 2013
dat:
- een varken (gehouden in een sleufsilo) een grote zwelling aan de linker
elleboog had, waarbij aan de onderkant van de zwelling een vloeistof/pus kwam;
- een zeug een open wond op de rug had; de huid op de rug was rood en verdikt
met in het centrale gebied van de aangetaste huid een open wond van ongeveer
10 cm waarvan de wondranden rafelig waren (de wond was recent niet behandeld);
- ( een deel van) de voor eigen fokkerij gehouden vrouwelijke biggen een
inkeping in het linker oor hadden (zijnde een niet toegestane ingreep);
en/of
- een opfokzeug een ernstig verdikte linker achterpoot had met aan de
binnenkant van de poot een ernstige drukwond met verdikte wondranden en
welke gevuld was met granulatieweefsel;
(Zaak A)
art 36 lid 1 Gezondheids Pro- en welzijnswet voor dieren
5.
zij op of omstreeks 30 augustus 2013 te [plaats], als
houdster van dieren, te weten 22, althans een aantal in een sleufsilo gehouden
varkens, aan dat/die dier(en) de nodige verzorging heeft onthouden, immers
beschikten voornoemde varkens niet over een droge en/of schone ligplaats;
(Zaak A)
art 37 Gezondheids Pro- en welzijnswet voor dieren
Gezien de stukken;
Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;
Gehoord de vordering van de officier van justitie;
Gelet op de verdediging namens verdachte in het midden gebracht;
[X] heeft in de eerste plaats gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Haar vervolging is volgens [X] in strijd met een goede procesorde, aangezien vervolging geen enkel maatschappelijk belang dient. Zij verkeert immers in staat van faillissement, een doorstart is niet aan de orde, zodat een eventuele veroordeling tot een geldboete enkel ten koste zal gaan van de crediteuren.
De politierechter volgt deze redenering niet. Vervolging kan immers ook duidelijk maken of en in hoeverre rechtspersonen strafrechtelijk verantwoordelijk zijn voor gedragingen van de vennootschap. De strafrechtelijk verantwoordelijkheid kan weer een rol spelen bij het vaststellen van civielrechtelijke aansprakelijkheid. Het kan onder omstandigheden zelfs leiden tot persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders van de rechtspersoon.
De officier van justitie is mitsdien ontvankelijk in zijn vervolging.
[X] heeft verder nog aangevoerd dat de strafbare feiten niet in redelijkheid aan haar kunnen worden toegerekend, zodat vrijspraak dient te volgen. De afstand tussen haar en de mogelijk op de werkvloer gepleegde strafbare is zo groot geweest, dat voor toerekening aan [X] geen plaats is. Ook hierin kan de politierechter de verdediging niet volgen. In elke fase vanaf het moment dat [X] formeel de onderneming voor haar rekening en risico is gaan drijven, heeft zij beschikkingsmacht gehad over het mogelijk verboden fysieke gedrag van de feitelijke uitvoerders op de werkvloer. Dat [X], c.q. haar bestuurder [B], ervoor hebben gekozen op afstand te besturen, doet daar niet aan af. In tegendeel, zij had immers ook kunnen kiezen om de bedrijfsvoering van dichtbij te volgen en de feitelijke uitvoerders aanwijzingen kunnen geven over de wijze waarop de bedrijfsvoering had moeten plaatsvinden. Daarbij komt dat de gedragingen van de feitelijke uitvoerders passen in de normale bedrijfsvoering, dat zij deze gedragingen uitvoerden in het kader van een dienstbetrekking dan wel een door [X] aanvaard gebruiksrecht.
Specifiek ten aanzien van feit 1 heeft [X] nog aangevoerd dat haar geen verwijt treft aangezien zij de exploitatie pas vanaf september 2012 op zich heeft genomen. Zij heeft ervoor gezorgd dat 4/12 van de voor dat jaar benodigde mestrechten zijn geleased. Voor de tekortkoming over de eerste acht maanden van 2012 treft haar geen blaam. Dit standpunt snijdt geen hout. Bij overname van een onderneming onder algemene titel zoals in casu, zal de overnemer, in dit geval [X] BV, ervoor moeten zorgdragen dat aan alle wettelijke vereisten is voldaan. De wettelijke eis voor wat betreft de Meststoffenwet schrijft voor dat in een kalenderjaar niet meer varkens mogen worden gehouden dan de omvang van de op het bedrijf rustende varkensrechten. Die eis gold voor [X] onverkort, los van de vraag wanneer certificaten van aandelen zijn overgegaan en/of er een bestuurderswisseling heeft plaatsgevonden.
Voor wat betreft feit 2 heeft [X] aangevoerd dat er op de tenlastegelegde dag wellicht geen sprake was van een afvoer van regenwater via een leiding- of pompsysteem, maar dat dit ook niet nodig is. Voorschrift 16.3.5 van de omgevingsvergunning vereist immers niet een voortdurende afvoer door een leiding. De politierechter verwerpt dit verweer. Voorschrift 16.3.5 van de omgevingsvergunning maakt onderdeel uit van de installatievoorschriften. Dit betekent dat de voorziening, zijnde een afdak, leiding of pompsysteem, om te voorkomen dat met dieselolie vervuild regenwater vanuit de lekbak in de ondergrond lekt, te allen tijde aanwezig dient te zijn. Dat volgt vanzelfsprekend ook uit de aard van de voorziening.
Ten aanzien van de feiten 3 tot en met 5 heeft [X] nog aangevoerd dat de financiële middelen ontbraken om de geconstateerde tekortkomingen inzake bepalingen van dierenwelzijn op te heffen. Voor zover [X] hiermee wil stellen dat er sprake is van overmacht, dan kan dat verweer niet slagen. [X] heeft immers de onderneming, inclusief de geconstateerde tekortkomingen, overgenomen. Daarbij heeft zij kunnen vaststellen dat er geld nodig was om de tekortkomingen op te heffen. Door de exploitatie van de onderneming over te nemen, zonder voor herstel van de tekortkomingen te zorgen, dan wel hiervoor geld te reserveren, heeft [X] de qua dierenwelzijn ernstig tekortschietende situatie aanvaard. Dat verhindert een beroep op overmacht.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs:
De politierechter overweegt dat daarbij gebruikt kan worden van verklaringen van: verbalisanten, van verdachte bij haar wettelijke vertegenwoordiger, de heer [B], en van de heer [O], nader uit te werken.
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. Hij baseert zich daarbij op de in het dossier bevindende bewijsmiddelen
De economische politierechter is door de inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen, waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het sub 1, sub 2, sub 3, sub 4 en sub 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
zij te [plaats], opzettelijk op een bedrijf met het BRS-nummer [xxxx] en het BRS-nummer [yyyy], gelegen aan of nabij de [adres], gemiddeld in het kalenderjaar 2012 1965,2 varkenseenheden meer heeft gehouden dan het op dat bedrijf rustende varkensrecht;
2.
zij te [plaats], omstreeks 30 augustus 2013, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning, afgegeven de dato 24 februari 2009, dat betrekking heeft op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, immers werd het hemelwater niet uit de tankput of opvangbak van een dieselolietank afgevoerd door een leiding waarin buiten en zo dicht mogelijk hij de omwalling of wand een afsluiter was aangebracht (een af dak was niet aangebracht);
3.
zij op 4 september 2013, te [plaats], 2680 varkens heeft verzorgd, niet overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van het Varkensbesluit, aangezien voornoemde varkens, ouder dan 2 weken, niet permanent beschikten over voldoende vers drinkwater;
4.
zij in de periode van 1 juni 2013 tot en met 30 augustus 2013, te [plaats], zonder redelijk doel de gezondheid of het welzijn van een aantal dieren heeft benadeeld, immers bleek op 30 augustus 2013 dat:
- een varken (gehouden in een sleufsilo) een grote zwelling aan de linker elleboog had, waarbij uit de onderkant van de zwelling een vloeistof/pus kwam;
- een zeug een open wond op de rug had; de huid op de rug was rood en verdikt met in het centrale gebied van de aangetaste huid een open wond van ongeveer 10 cm waarvan de wondranden rafelig waren (de wond was recent niet behandeld);
- de voor eigen fokkerij gehouden vrouwelijke biggen een inkeping in het linker oor hadden (zijnde een niet toegestane ingreep);
en
- een opfokzeug een ernstig verdikte linker achterpoot had met aan de binnenkant van de poot een ernstige drukwond met verdikte wondranden en welke gevuld was met granulatieweefsel;
5.
zij op 30 augustus 2013 te [plaats], als houdster van dieren, te weten 22, in een sleufsilo gehouden varkens, aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers beschikten voornoemde varkens niet over een droge en schone ligplaats;
Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het ten laste gelegde feit, waarop die inhoud bijzonderlijk betrekking heeft.
Indien tegen dit verkorte schriftelijk vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de politierechter gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte vonnis.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte vonnis gehecht.
De economische politierechter acht niet bewezen hetgeen verdachte sub 1, sub 2, sub 3, sub 4 en sub 5 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het bewezene levert op:

voor wat betreft sub 1, het misdrijf en het economisch delict:

"Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 19 van Pro de Meststoffenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon",
strafbaar gesteld bij art. 6 Wet Pro economische delicten.

voor wat betreft sub 2, het misdrijf en het economisch delict:

"Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3 van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon",
strafbaar gesteld bij art. 6 Wet Pro economische delicten.

voor wat betreft sub 3, de overtreding en het economisch delict:

"Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, begaan door een rechtspersoon",
strafbaar gesteld bij art. 6 Wet Pro economische delicten.

voor wat betreft sub 4, het misdrijf:

"Overtreding van een voorschrift gesteld bij art. 2.1 Wet dieren, begaan door een rechtspersoon",
strafbaar gesteld bij art. 8.11 Wet Dieren.

voor wat betreft sub 5, het misdrijf:

"Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.2 Wet Dieren, begaan door een rechtspersoon",
strafbaar gesteld bij artikel 8.11 Wet Dieren.
De verdachte is strafbaar aangezien van geen haar strafbaarheid uitsluitende omstandigheid is gebleken.
De economische politierechter overweegt voor wat de straf betreft, dat op grond van de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de (rechts-) persoon van verdachte, haar (financiële) draagkracht zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straffen behoren te worden opgelegd, zoals hierna zullen worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:
Aan verdachte zal voor de feiten, zijnde vier misdrijven en één overtreding tweemaal een geldboete worden opgelegd. Aangezien verdachte al failliet is bestaat de mogelijk dat de opgelegde geldboetes niet op verdachte kunnen worden verhaald.
De na te noemen straffen zijn gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 23, 24, 51, 57, 62 en 91 Wetboek van Strafrecht, artikelen 1a, 2 en 6 Wet economische delicten, artikel 19 van Pro de Meststoffenwet, artikel 2.3. van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht., artikel 2 en Pro 13 van het Varkensbesluit, artikel 36 en Pro 45 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de artikelen 2.1., 2.2., 2.5 en 8.11 van de Wet dieren.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart bewezen, dat het sub 1, sub 2, sub 3, sub 4 en sub 5 tenlastegelegde als boven omschreven door verdachte is begaan;
Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld;
Verklaart verdachte deswege strafbaar;
Veroordeelt haar ter zake het sub 1, sub 2, sub 4 en sub 5 tenlastegelegde en bewezenverklaarde tot betaling van een
geldboeteten bedrage van
15.000,--, zegge vijftienduizend, euro
Veroordeelt haar ter zake het sub 3 tenlastegelegde en bewezenverklaarde tot betaling van een
geldboeteten bedrage van
5.000,--, zegge vijfduizend, euro
Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte sub 1, sub 2, sub 3, sub 4 en sub 5 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan in zoverre vrij;
Aldus gewezen door mr. M. Melaard, economisch politierechter, in tegenwoordigheid van R.E. Groot, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting, op 25 juni 2015.