De curator van de Duitse vennootschap Partner-Back Backwarenherstellungs GmbH vordert betaling van € 97.019,55 plus wettelijke rente van de Rabobank, omdat de bank na het faillissement betalingen van debiteuren op de rekening van Partner Back heeft ingehouden. De bank stelt dat zij op basis van een Globalzessionsvertrag, een overeenkomst van algehele cessie, gerechtigd was deze bedragen te verrekenen.
De rechtbank onderzoekt de geldigheid van deze cessie en de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de ondertekenaar namens Partner Back. De cessie is niet gedateerd, niet ondertekend door een bevoegd bestuurder en er is geen mededeling aan debiteuren gedaan. Volgens Duits recht is cessie vormvrij en mededeling niet constitutief, maar de bank heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de cessie rechtsgeldig tot stand is gekomen.
De vertegenwoordigingsbevoegdheid van de ondertekenaar, de heer K, wordt betwist. Hij was geen bestuurder van Partner Back, maar vertegenwoordiger van de aandeelhouder. De bank had onderzoek moeten doen naar zijn bevoegdheid. De rechtbank oordeelt dat de bank niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen op zijn bevoegdheid.
De rechtbank wijst de vordering van de curator toe en veroordeelt de bank tot betaling van € 97.019,55 met wettelijke rente vanaf 31 oktober 2013, en in de proceskosten. De gevorderde handelsrente en buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.