Eiser ontving vanaf september 2014 een WWB-uitkering en had een re-integratieplan. Op 27 november 2014 verlaagde de gemeente Ommen zijn uitkering met 100% voor één maand wegens onvoldoende naleving van re-integratieverplichtingen. Eiser voerde aan dat hem was verteld 32 uur per week te werken, maar dat dit in werkelijkheid 45,5 uur was, waarop hij herhaaldelijk vroeg naar het uurloon.
De rechtbank oordeelde dat het onredelijk was dat eiser vroeg naar zijn uurloon gezien het substantiële verschil in uren. Verweerder kon niet aantonen dat eiser zich onjuist had gedragen; de vermeende uitlatingen van eiser waren niet bevestigd in het verslag van het gesprek. De maatregel was onvoldoende gemotiveerd en daarom onrechtmatig.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en het primaire besluit en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Verweerder moet het griffierecht en reiskosten vergoeden. Verzoek om wettelijke rente werd afgewezen wegens geringe hoogte.