Verzoekster exploiteert een autobedrijf en kreeg van de RDW een erkenning bedrijfsvoorraad, die voor zes weken werd ingetrokken wegens het onrechtmatig aanmelden van vijf voertuigen in haar bedrijfsvoorraad terwijl deze eigendom waren van een ander bedrijf, opgericht en bestuurd door verzoekster zelf.
De RDW baseerde de sanctie op haar beleidsregels, waarbij opname van voertuigen die niet eigendom zijn van de erkenninghouder een overtreding vormt die kan leiden tot intrekking van de erkenning. Verzoekster stelde dat zij alles had gedaan om de overtreding te voorkomen, maar de voorzieningenrechter oordeelde dat zij onvoldoende had gehandeld om de RDW ondubbelzinnig te informeren, waardoor verwarring ontstond.
De rechtbank concludeerde dat de RDW de sanctie terecht handhaafde en dat de negatieve financiële en reputatieschade voor verzoekster niet aanleiding gaf om van het beleid af te wijken. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.