4.2.Partijen zijn verdeeld over de vraag of de term ‘afgeronde adoptie’ als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, onder c, van de Wobka overeenstemt met dan wel identiek is aan de term ‘geadopteerd zijn’ in de zin van artikel 9c van de Wobka. Achterliggende vraag hierbij is of artikel 9a, eerste lid, onder c, van de Wobka enkel ziet op het doorlopen van de procedure zoals neergelegd in de Wobka.
Verweerder beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend. Eisers beantwoorden de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend.
De rechtbank overweegt als volgt.
Artikel 9a, eerste lid, van de Wobka bevat een cumulatieve opsomming van verleningsgronden: de tegemoetkoming in de adoptiekosten wordt door verweerder verleend indien is voldaan aan alle voorwaarden zoals neergelegd in dit lid. In artikel 9c wordt de regeling voor de tegemoetkoming in de adoptiekosten in tijdsduur begrensd.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat onderdeel c van artikel 9a, eerste lid, van de Wobka uit twee componenten dan wel voorwaarden. Ten eerste moet de adoptieprocedure overeenkomstig de bepalingen in de Wobka zijn doorlopen. Ten tweede moet de adoptie zijn afgerond. Dit ‘afronden’ moet naar het oordeel van de rechtbank worden geduid als ‘zijn voltooid’.
De rechtbank zoekt voor dit oordeel ten eerste aansluiting bij de uitleg die in het Van Dale woordenboek aan de term ‘afgerond’ wordt gegeven, te weten: ‘zijn volle vorm hebbend, zonder gapingen of leemten = compleet’. Indien verweerders interpretatie van dit onderdeel c juist zou zijn, zou de term ‘afgerond’ geen enkele betekenis hebben.
Ten tweede impliceert verweerders standpunt - dat onderdeel c ‘slechts’ ziet op het doorlopen van de procedure - dat het toetsingskader voor het verlenen van een tegemoetkoming in de adoptiekosten is verdeeld over twee verschillende artikelen. Immers, artikel 9a, eerste lid, bevat cumulatieve verleningsgronden en artikel 9c van de Wobka bevat alsdan niet alleen een begrenzing in tijdsduur maar tevens een separate (en eveneens cumulatieve) verleningsgrond. Dit laatste betreft de (verlenings)grond dat de adoptie moet zijn voltooid. Verweerders standpunt resulteert dan ook in het ‘verdelen’ van de verleningsgronden over twee separate artikelen, die gescheiden zijn door een andersoortig artikel, te weten het financiële artikel 9b. Het opnemen van cumulatieve verleningsgronden in twee afzonderlijke artikelen, die ook nog eens ‘gescheiden’ worden door een andersoortig artikel, is onnodig verwarrend. De rechtbank vermag niet in te zien dat de formele wetgever een dergelijke wijze van redigeren zou hebben beoogd.
De (achterliggende) vraag of artikel 9a, eerste lid, onder c, van de Wobka enkel ziet op het doorlopen van de procedure zoals neergelegd in de Wobka, wordt door de rechtbank dan ook ontkennend beantwoord. Dit betekent dat de vraag of de term ‘afgeronde adoptie’ als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, onder c, van de Wobka en de term ‘geadopteerd zijn’ in de zin van artikel 9c van de Wobka met elkaar overeenstemmen dan wel identiek zijn, door de rechtbank bevestigend wordt beantwoord. Dit betekent dat de termen ‘afgeronde adoptie’ als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, onder c, van de Wobka en ‘geadopteerd zijn’ als bedoeld in artikel 9c van de Wobka, hetzelfde stadium in de adoptie c.q. hetzelfde tijdstip behelzen.
Nu verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat een ‘afgeronde adoptie’ overeenstemt met het moment dat het kind in Nederland aankomt, dit tijdstip is gelegen voor 1 januari 2013 (hetgeen tussen partijen niet in geschil is) en de rechtbank in deze uitspraak heeft geoordeeld dat het tijdstip van de ‘afgeronde adoptie’ identiek is aan het tijdstip van ‘geadopteerd zijn’, is de zoon van eisers geadopteerd voor 1 januari 2013. Van strijd met artikel 9c van de Wobka is daarom geen sprake. Nu verweerder zich in het thans bestreden besluit tevens op het standpunt heeft gesteld dat er van strijd met artikel 9a, eerste lid, van de Wobka geen sprake is, is er geen grond om de gevraagde tegemoetkoming te weigeren.
5. Het beroep is dan ook gegrond wegens strijd met artikelen 9a, eerste lid, en 9c van de Wobka. Het bestreden besluit kan in rechte niet in stand blijven en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.
Eisers hebben de rechtbank gevraagd het geschil finaal te beslechten en, zelf in de zaak voorziend, te bepalen dat zij in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de adoptiekosten ten bedrage van € 3.700,-. Verweerder heeft de rechtbank ter zitting meegedeeld dat een dergelijke uitspraak consequenties heeft voor lopende aanvragen.
De rechtbank overweegt hieromtrent dat tegen deze uitspraak hoger beroep open staat. Hangende hoger beroep kan verweerder de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken om de voorlopige voorziening te treffen dat verweerder geen uitvoering aan de uitspraak van de rechtbank hoeft te geven voordat op het hoger beroep is beslist.
Verder doet de rechtbank uitspraak in een aan haar voorgelegd geschil. Dit oordeel strekt zich niet uit over komende besluitvorming in andere aanvragen die bij verweerder zijn ingediend.
De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien in de zin dat zij bepaalt dat verweerder een tegemoetkoming in de adoptiekosten ten bedrage van € 3.700,- aan eisers verleent.
6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht ad € 167,- vergoedt.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1). De reiskosten van eiser Ter Haar voor het bijwonen van de zitting komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 17,60 (kosten openbaar vervoer; tweede klasse).