ECLI:NL:RBOVE:2015:5328

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 november 2015
Publicatiedatum
3 december 2015
Zaaknummer
ECLI:NL:RBOVE:2015:5048
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • G.G. Vermeulen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing loonbeslag wegens materiële uitvoering vonnis woonlasten na relatiebeëindiging

Partijen hadden een langdurige relatie en woonden samen in een woning die zij gezamenlijk bezaten. Na beëindiging van de relatie in 2013 werd de man bij vonnis bevolen de woning te verlaten en mocht de vrouw een bijdrage in de woonlasten van €250 per maand betalen.

De man legde in 2015 loonbeslag op bij de werkgever van de vrouw om een vordering van €7.250 te verhalen, voortvloeiend uit vermeende achterstallige woonlasten. De vrouw betwistte dit en stelde dat zij haar verplichtingen materieel was nagekomen door betalingen rechtstreeks aan de hypotheekverstrekker te doen.

De rechtbank oordeelde dat hoewel de vrouw formeel niet aan het vonnis voldeed door niet aan de man te betalen, zij materieel wel aan haar verplichtingen had voldaan. Gezien de slechte financiële verhouding tussen partijen was dit redelijk. Het beslag werd daarom onrechtmatig geacht en opgeheven. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het loonbeslag wordt opgeheven omdat de vrouw materieel uitvoering gaf aan het vonnis door betalingen aan de hypotheekverstrekker.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer / rolnummer: C/08/177948 / KG ZA 15-343
Vonnis in kort geding van 17 november 2015
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. W.J.A. van Es te Meppel,
tegen
[gedaagde],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
te dezer zake woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat te Almelo,
gedaagde,
verschenen in persoon,
advocaat: aanvankelijk mr. R.J. Hoogeveen te Almelo,
thans niet langer in de procedure vertegenwoordigd.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de producties 1 tot en met 4 aan de zijde van de vrouw
  • de onttrekking van de advocaat van de man
  • de mondelinge behandeling.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben gedurende circa elf jaren een effectieve relatie gehad. De vrouw heeft in 2013 de relatie met de man beëindigd.
2.2.
Partijen bewoonden samen een woning op [adres] te [plaats 1] . Deze woning behoort partijen in gemeenschappelijk eigendom toe.
2.3.
Bij vonnis in kort geding van 9 april 2013 (zaaknummer C/19/98274 / KG ZA
13-62) heeft de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, de man bevolen om de voornoemde woning binnen 48 uur na betekening van het vonnis te verlaten en de woning niet meer te betreden, met machtiging van de vrouw om dit bevel en verbod eventueel met behulp van de sterke arm uit te voeren en te handhaven en met bepaling dat de vrouw aan de man een bijdrage in de woonlasten zal voldoen van € 250,-- per maand en voorts de overige gebruikerslasten zelf zal voldoen, met uitzondering van de onroerende zaak belasting.
2.4.
Tegen het vonnis is geen rechtsmiddel ingesteld, zodat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
2.5.
In het kader van de derde poging van de man om het vonnis in kort geding van
9 april 2013 te executeren heeft de man op 28 augustus 2015 voor de derde keer een grosse van dit vonnis aan de vrouw laten betekenen.
2.6.
Op 10 september 2015 heeft de man onder de werkgever van de vrouw, te weten de [X] , te [plaats 2] , ten laste van de vrouw executoriaal (derden)beslag laten leggen op alle voor zodanig beslag vatbare gelden, vorderingen en waardepapieren en/of roerende zaken (niet zijnde registergoederen), die de derdebeslagene onder zich heeft en/of uit een reeds nu bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen van de schuldenaar voornoemd. Het beslag is gelegd om te komen tot verhaal van een vordering van in hoofdsom € 7.250,-- die de man op de vrouw stelt te hebben uit hoofde van de woonlasten van de gezamenlijke woning, die de vrouw op grond van voormeld vonnis van 9 april 2013 maandelijks dient te betalen.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert samengevat - de opheffing van het op 10 september 2015 gelegde loonbeslag/derdenbeslag, althans vordert dat gedaagde wordt bevolen het beslag op te laten heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagde weigert te voldoen aan het in dezen te wijzen vonnis. Tevens vordert de vrouw de man te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.2.
De man voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het geschil tussen partijen is een executiegeschil. In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter een executoriaal beslag slechts opheffen of de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant – mede gelet op de belangen die aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging, zodat de executant, indien hij toch gebruik maakt van die bevoegdheid onrechtmatig handelt jegens de geëxecuteerde, dan wel misbruik maakt van recht. Hiervan kan onder meer sprake zijn indien de te executeren rechterlijke beslissing op een juridische of feitelijke misslag berust of indien na de uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten een noodtoestand doen ontstaan voor de eisende partij, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet aanvaardbaar is.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 9 april 2013, niet berust op een juridische of feitelijke misslag en de man op grond van voornoemd vonnis ook de bevoegdheid tot executie toekomt, zodat slechts nog de vraag dient te worden beantwoord of de man door het leggen van het beslag onder de werkgever onrechtmatig jegens de vrouw handelt dan wel misbruik maakt van recht doordat ten gevolge van de executie aan de zijde van de vrouw een noodtoestand ontstaat.
4.3.
De vrouw stelt dat de executiemaatregelen die de man heeft laten treffen onrechtmatig zijn. Zij stelt zich op het standpunt dat zij vanaf april 2013 tot op heden telkens stipt aan haar verplichtingen uit hoofde van het vonnis van 9 april 2013 heeft voldaan, door over de maanden april, mei, juni en deels juli 2013 een bedrag van € 800,-- ineens te voldoen op 24 april 2013. Daarna heeft zij rechtstreeks telkens een bedrag
€ 355,50 per maand betaald aan Woonfonds Hypotheken. Dit is bedrag is opgebouwd uit haar eigen bijdrage van € 250,-- in de hypotheeklasten vermeerderd met de helft van de fiscale teruggave van € 105,50. De gebruikerslasten van de woning voldoet de vrouw naar haar zeggen zelf.
4.4.
De man heeft ter zitting uiteindelijk erkend dat de vrouw de door haar genoemde bedragen heeft betaald. Hij stelt zich echter op het standpunt dat de vrouw in strijd met het vonnis van 9 april 2013 heeft gehandeld door de bedragen niet aan hem, maar aan het Woonfonds Hypotheken te betalen.
4.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw weliswaar formeel niet conform het vonnis van 9 april 2013 heeft gehandeld door de bedragen niet rechtstreeks aan de man te betalen. Materieel gezien heeft zij echter wel degelijk uitvoering gegeven aan dit vonnis. Met de betalingen heeft zij immers haar bijdrage geleverd in de woonlasten van partijen. Gelet op de slechte (financiële) verhouding tussen partijen heeft de vrouw er naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid toe kunnen overgaan om haar bijdragen in de woonlasten rechtstreeks aan het Woonfonds Hypotheken te betalen, teneinde er zeker van te zijn dat haar betalingen aan de hypotheekrente ten goede zouden komen.
4.6.
Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de man op dit moment geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 9 april 2013 over te gaan en derhalve onrechtmatig jegens de vrouw handelt door beslag te laten leggen op haar loon. De voorzieningenrechter zal dan ook overgaan tot het opheffen van het beslag.
4.7.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
heft op het op 10 september 2015 ten laste van de vrouw onder haar werkgever, te weten [X] , te [plaats 2] gelegde executoriaal beslag, op alle voor zodanig beslag vatbare gelden, vorderingen en waardepapieren en/of roerende zaken (niet zijnde registergoederen), die de derdebeslagene onder zich heeft en/of uit een reeds nu bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen van de vrouw,
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.G. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken op
17 november 2015.