ECLI:NL:RBOVE:2015:5708

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 december 2015
Publicatiedatum
23 december 2015
Zaaknummer
C/08/180108 / KG ZA 15-403
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • W.K.F. Hangelbroek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:84 BWArt. 3:237 BWArt. 3:115 BWArt. 3:90 BWArt. 3:45 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering opheffing executoriaal beslag wegens ontbreken geldige eigendomsoverdracht

Op 11 november 2015 legde de Ontvanger executoriaal beslag op roerende zaken van [gedaagde 2] vanwege een belastingschuld. [eiser] vorderde in kort geding opheffing van het beslag omdat hij stelde eigenaar te zijn van de inboedel, gebaseerd op een koopovereenkomst van 1 juni 2015 waarbij de koopsom uiterlijk 31 december 2015 zou worden voldaan.

De Ontvanger betwistte dit en stelde dat de overdracht van de goederen niet rechtsgeldig was omdat deze diende als zekerheid voor verstrekte leningen, waardoor artikel 3:84 lid 3 BW Pro van toepassing is. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen geldige titel voor overdracht was, mede omdat sprake was van bezitloos pandrecht zonder vereiste authentieke of geregistreerde akte.

Ook bleek uit de overeenkomst dat levering en eigendomsoverdracht pas uiterlijk op 1 januari 2017 zouden plaatsvinden, en dat de goederen in bruikleen waren gegeven. Hierdoor was onvoldoende aannemelijk dat er een juridische levering had plaatsgevonden. De vordering van [eiser] werd daarom afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot opheffing van het executoriaal beslag wordt afgewezen wegens ontbreken van een geldige eigendomsoverdracht.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer / rolnummer: C/08/180108 / KG ZA 15-403
Vonnis in kort geding van 17 december 2015
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. M.B. Bollen te Enschede,
tegen
1.
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST / KANTOOR ENSCHEDE,
gevestigd te Enschede,
verschenen: mr. J.G.L. Rerink en de heer [W] ,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden,
Partijen zullen hierna [eiser] , de Ontvanger en [gedaagde 2] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
De voorzieningenrechter heeft in verband met de spoedeisendheid bij vonnis van 15 december 2015 zonder motivering op het door [eiser] gevorderde beslist.
1.2.
De motivering van die beslissing volgt hieronder.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 11 november 2015 is door de Ontvanger executoriaal beslag gelegd op roerende zaken onder [gedaagde 2] . Het beslag is gelegd in verband met een belastingschuld.
2.2.
De executoriale verkoop van de roerende zaken waarop beslag is gelegd is aangezegd voor 16 december 2015.
3. Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat -:
I.
Primair:
De Ontvanger te gebieden om met onmiddellijke ingang over te gaan opheffing van het beslag voor zover dit betrekking heeft inboedel die thans nog bij [gedaagde 2] staat.
Subsidiair
De Ontvanger te verbieden de voorgenomen executie op 16 december 2015 voor zover dit betrekking heeft op de inboedel die thans nog bij [gedaagde 2] staat en eigendom is van [eiser] doorgang te laten vinden en met onmiddellijke ingang na het ten dezen te wijzen vonnis de executie te schorsen en wel tot de bodemrechter op de nog in te dienen verzetdagvaarding heeft kunnen beslissen, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te nemen voorziening.
II.
De Ontvanger te veroordelen in de kosten van dit geding.
III.
Met voorwaardelijke veroordeling van Ontvanger en [gedaagde 2] in de wettelijke rente over de uit te spreken kostenveroordeling, indien en voor zover betaling van de proceskostenveroordeling niet binnen twee dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis heeft plaatsgevonden.
3.2.
[eiser] stelt daartoe - kort gezegd - dat de in beslag genomen roerende zaken in eigendom toebehoren aan hem. [gedaagde 2] heeft hem verzocht om hem geld te lenen, omdat hij financiele problemen had. [eiser] en [gedaagde 2] zijn in overleg getreden over de verkoop van goederen van [gedaagde 2] aan [eiser] . Op 1 juni 2015 hebben zij een koopovereenkomst gesloten. [eiser] en [gedaagde 2] zijn overeengekomen dat de koopsom door [eiser] aan [gedaagde 2] per bank zou worden voldaan voor 31 december 2015. Hieraan heeft [eiser] voldaan. [eiser] heeft de inboedel na aankoop in bruikleen aan [gedaagde 2] beschikbaar gesteld. Ter onderbouwing legt [eiser] de koopovereenkomst en bankafschriften over.
3.3.
[eiser] is op de hoogte geraakt van de executoriale beslaglegging van de Ontvanger op de inboedel bij [gedaagde 2] . De executoriale verkoop van de roerende zaken staat gepland voor 16 december 2015. [eiser] heeft derhalve recht en belang bij een spoedvoorziening, aangezien de Ontvanger weigerachtig is en blijft de rechten van [eiser] te respecteren.
3.4.
De Ontvanger heeft de vorderingen van [eiser] gemotiveerd betwist en heeft geconcludeerd tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. In het navolgende zal de voorzieningenrechter voor zover nodig op dat verweer ingaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tegen de niet verschenen [gedaagde 2] is verstek verleend.
4.2.
Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak.
4.3.
De voorzieningenrechter verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in het gevorderde jegens [gedaagde 2] , aangezien er geen sprake is van een inhoudelijke vordering jegens [eiser] . Er is slechts verzocht om [gedaagde 2] te veroordelen in de wettelijke rente over de proceskosten, indien en voor zover betaling van de proceskostenveroordeling niet binnen twee dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis heeft plaatsgevonden.
4.4.
Met betrekking tot het gevorderde jegens de Ontvanger overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
4.5.
Daargelaten de vraag of er op 1 juni 2015 een overeenkomst is gesloten tussen [eiser] en [gedaagde 2] is, ingevolge artikel 3:84 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), voor overdracht van een goed vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken.
4.6.
De Ontvanger heeft zich op het standpunt gesteld dat de (vermeende) overeenkomst van 1 juni 2015 op grond van artikel 3:84 lid 3 BW Pro een rechtsgeldige titel ontbeert. Ten eerste verwijst de Ontvanger naar punt 1.2 van de dagvaarding waarin wordt vermeld dat [eiser] voorafgaand aan het sluiten van de (vermeende) koopovereenkomst van [gedaagde 2] het verzoek kreeg hem gelden te lenen, daar hij krap bij kas zat. Ten tweede wordt in de brief van [eiser] aan de heer Wolters, voornoemd, van 10 december 2015 door [eiser] vermeld dat er met betrekking tot de tweede betaling in augustus 2015 van € 2.000,-- sprake is van een aanvullende lening. Dit betekent dat er sprake is van één of meerdere eerdere leningen. Op grond van het voorgaande stelt de Ontvanger zich op het standpunt dat er sprake is van een eigendomsoverdracht tot zekerheid voor door [eiser] aan [gedaagde 2] verstrekte leningen.
4.7.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan voorshands niet worden gezegd dat in dit geval sprake is van een geldige titel bij de overdracht van de roerende zaken. In artikel 3:84 lid 3 BW Pro is immers bepaald dat een rechtshandeling die ten doel heeft een goed over te dragen tot zekerheid of die de strekking mist het goed na de overdracht in het vermogen van de verkrijger te doen vallen, niet als een geldige titel voor overdracht kan worden aangemerkt. Door [eiser] is niet (voldoende) weersproken dat, er een of meerdere eerdere leningen waren en dat er sprake is van een eigendomsoverdracht tot zekerheid voor de door [eiser] aan [gedaagde 2] verstrekte leningen. Tijdens de behandeling ter zitting heeft [eiser] ook verklaard dat hij zijn zwager [gedaagde 2] wilde helpen en dat hij hem geld wilde lenen, maar dat daar iets tegenover moest staan, omdat hij het geld wel wilde terugkrijgen. De roerende zaken dienden als onderpand, aldus [eiser] .
4.8.
Feitelijk is in dit geval sprake van bezitloos pandrecht, maar daarvoor is volgens artikel 3:237 lid 1 BW Pro een authentieke of geregistreerde akte vereist, die in dit geval ontbreekt. De beslagen roerende zaken kunnen dan ook nog steeds als eigendom van [gedaagde 2] worden aangemerkt, hetgeen eveneens aan toewijzing van de vordering in de weg staat.
4.9.
Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit de (vermeende) overeenkomst van 1 juni 2015, de overige overgelegde stukken en de stellingen van [eiser] onvoldoende blijkt dat [eiser] en [gedaagde 2] een levering zonder feitelijke bezitsverschaffing hebben beoogd, in de zin van artikel 3:115 sub a BW Pro. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in artikel 2 van Pro de overeenkomst het volgende staat vermeld:
“Eigendomsoverdracht en aflevering van goederen zal geschieden voor of uiterlijk op1 januari 2017, ter plaatse van het adres ( [adres] , [plaats] ) van koper.
(…)
Tot het verstrijken van afgesproken datum van aflevering stelt verkoper aan verkoper de goederen in bruikleen beschikbaar.”
4.10.
Het is dan ook onvoldoende aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure de rechter zal oordelen dat er een juridische levering in de zin van artikel 3:90 lid 1 BW Pro juncto artikel 3:115 sub a BW Pro heeft plaatsgevonden.
4.11.
Reeds op grond van het vorenoverwogene komt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat het gevorderde jegens de Ontvanger moet worden afgewezen.
4.12.
Het verweer van de Ontvanger dat in dit geval sprake is van paulianeus handelen (artikel 3:45 BW Pro) kan daarom onbesproken blijven.
4.13.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Ontvanger worden begroot op € 613,-- (griffierecht). De kosten aan de zijde van [gedaagde 2] worden begroot op nihil.

5.De beslissing (zoals uitgesproken op 15 december 2015)

De voorzieningenrechter
5.1.
Verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering(en) jegens [gedaagde 2] .
5.2.
Wijst de vordering(en) van [eiser] jegens de Ontvanger af.
5.3.
Veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van de Ontvanger tot op heden begroot op € 613,--.
5.4.
Veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 2] tot op heden begroot op nihil.
5.5.
Verklaart dit vonnis met betrekking tot onderdeel 5.3. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.K.F. Hangelbroek en in het openbaar uitgesproken op
17 december 2015. [1]

Voetnoten

1.type: