ECLI:NL:RBOVE:2015:5805
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek meerderjarig kind tot bijdrage in levensonderhoud na 21 jaar
De rechtbank Overijssel behandelde het verzoek van een meerderjarig kind om een verhoogde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van zijn vader. Het kind was 21 jaar geworden en volgde een voltijd studie, waarbij hij onvoldoende inkomen had om in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij verzocht om een bijdrage van € 335,10 per maand, gebaseerd op studiefinanciering, een lening en een beperkt inkomen uit werkzaamheden.
De vader betwistte het verzoek en stelde dat het kind niet voldoende had onderbouwd dat hij behoeftig was, aangezien hij in staat was om te werken maar ervoor koos dit niet te doen vanwege zijn studie en sportactiviteiten. De vader verwees naar jurisprudentie waarin is bepaald dat kinderen vanaf 21 jaar geacht worden in eigen levensonderhoud te voorzien, tenzij anders overeengekomen.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 1:392 lid 1 en Pro 2 BW alleen bij daadwerkelijke behoeftigheid van het meerderjarige kind een onderhoudsverplichting bestaat. Omdat het kind niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet in staat was om door arbeid in zijn levensonderhoud te voorzien, werd het verzoek afgewezen. De rechtbank volgde de lijn van de Hoge Raad dat ouders niet verplicht zijn bij te dragen aan de kosten van een studie als het kind in staat is te werken.
De rechtbank vond geen uitzonderingssituatie die een afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigde en wees het verzoek af. Het subsidiaire verweer van de vader werd niet meer inhoudelijk behandeld. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken op 23 september 2015 te Almelo.
Uitkomst: Het verzoek tot bijdrage in de kosten van levensonderhoud wordt afgewezen omdat het kind geacht wordt in eigen levensonderhoud te voorzien.