Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
[verweerster],
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
Rechtbank Overijssel
De werknemer is sinds 1 september 1999 in dienst bij de werkgever en werd op 9 augustus 2013 arbeidsongeschikt. Na twee jaar ziekte werd hem per 10 augustus 2015 een IVA-uitkering toegekend. De werkgever meldde de werknemer administratief uit dienst per 9 augustus 2015, wat leidde tot een loonstrook met eindafrekening en vermelding van een uitdienstdatum. De werknemer interpreteerde dit als opzegging en vorderde een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding.
De werkgever stelde dat het dienstverband niet was opgezegd, maar dat de administratieve uitdienstmelding puur systeemtechnisch was om loon- en premiebetalingen te stoppen na twee jaar ziekte. De kantonrechter oordeelde dat de werknemer onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van opzegging door de werkgever. De verklaring van de administrateur bevestigde dat de uitdienstdatum enkel voor de salarisadministratie was.
De werknemer verzocht subsidiair om toekenning van de transitievergoeding op grond van redelijkheid en billijkheid, omdat hij een inkomensachteruitgang leed en re-integratie niet realistisch was. De kantonrechter vond dit verzoek ongegrond, omdat het niet onredelijk was dat de werkgever het dienstverband nog niet had opgezegd en er geen bewijs was dat de werkgever het dienstverband bewust 'leeg' wilde houden om de transitievergoeding te vermijden.
De vorderingen werden afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De vorderingen tot vergoeding wegens onregelmatige opzegging en transitievergoeding worden afgewezen omdat het dienstverband niet is opgezegd.