ECLI:NL:RBOVE:2015:5943

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 november 2015
Publicatiedatum
5 oktober 2016
Zaaknummer
R 08/14/730
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 FwArt. 350 lid 5 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussentijdse beëindiging schuldsanering wegens grensoverschrijdend gedrag jegens bewindvoerder

De rechtbank Overijssel heeft op 19 november 2015 uitspraak gedaan over de tussentijdse beëindiging van een schuldsaneringsregeling. De rechter-commissaris verzocht om beëindiging vanwege het grensoverschrijdende en onacceptabele gedrag van de schuldenaar jegens de bewindvoerder, wat de uitvoering van de regeling frustreert.

Tijdens de zitting en een eerder telefoongesprek uitte de schuldenaar grove beledigingen en bedreigingen richting de bewindvoerder. Ondanks waarschuwingen bleef hij zich onacceptabel gedragen, wat leidde tot het ontnemen van het woord en het sluiten van de zitting.

De rechtbank oordeelde dat dit gedrag niet getolereerd kan worden binnen een schuldsaneringsregeling en dat dit voldoende grond is voor tussentijdse beëindiging op grond van artikel 350 lid Pro 3, aanhef en onder c, Faillissementswet. Tevens werd vastgesteld dat er geen baten zijn om vorderingen te voldoen, waardoor de regeling eindigt bij kracht van gewijsde.

Uitkomst: De rechtbank beëindigt de schuldsaneringsregeling tussentijds vanwege onacceptabel gedrag van de schuldenaar jegens de bewindvoerder.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team toezicht
Zittingsplaats Almelo
insolventienummer: R 08/14/730
uitspraakdatum: 19 november 2015
Vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de wettelijke schuldsaneringsregeling van:

[betrokkene] ,

geboren op [1989] te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
verder te noemen: [betrokkene] .
In deze schuldsaneringsregeling is de heer [X] , kantoorhoudende te Almelo, tot bewindvoerder benoemd.

Het procesverloop

De rechter-commissaris heeft bij voordracht van 7 oktober 2015 verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.
De voordracht is behandeld ter zitting van 10 november 2015, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Ter zitting is [betrokkene] verschenen, vergezeld van zijn moeder. Tevens is de bewindvoerder verschenen, vergezeld van zijn kantoorgenoot mr. H. Versluis.

De beoordeling

De voordracht van de rechter-commissaris:
De voordracht van de rechter-commissaris wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.
Kort weergegeven verzoekt de rechter-commissaris om tussentijdse beëindiging van deze schuldsaneringsregeling, omdat het gedrag van [betrokkene] volstrekt onacceptabel en grensoverschrijdend wordt geacht. [betrokkene] frustreert met zijn gedrag bovendien een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling, aldus de rechter-commissaris.
De toelichting van [betrokkene]
Ter zitting noemde [betrokkene] de bewindvoerder een waardeloze lul. De rechter heeft [betrokkene] vervolgens gewaarschuwd dat als hij de bewindvoerder een waardeloze lul noemt, zij hem het woord zal ontnemen. [betrokkene] heeft de bewindvoerder toen weer een waardeloze lul genoemd. Volgens [betrokkene] mag hij ter zitting zijn mening geven en als dat niet mag moet hij maar uit de regeling worden gezet. De rechtbank heeft vervolgens [betrokkene] het woord ontnomen en heeft de behandeling ter zitting gesloten.
De motivering van de beslissing:
Als maatstaf voor beëindiging van de schuldsaneringsregeling op de gronden, vermeld in artikel 350 lid Pro 3, aanhef en onder c, Faillissementswet (Fw) heeft te gelden of, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, de daar genoemde gedragingen een duidelijke aanwijzing vormen dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt en/of de schuldenaar van zijn gedragingen een verwijt kan worden gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat van de gedragingen van [betrokkene] jegens de bewindvoerder tijdens het telefoongesprek op 2 oktober 2015 met diens kantoorgenoot en tijdens de behandeling ter zitting van 10 november 2015 een (ernstig) verwijt kan worden gemaakt. Onweersproken is dat [betrokkene] tijdens het gesprek op 2 oktober 2015 erg grof in zijn taalgebruik is geweest en zich bedreigend heeft geuit. [betrokkene] heeft toen onder meer gezegd: ‘Als ik de heer [X] voor de auto krijg stop ik niet. Ik sta dan niet meer voor mijzelf in’ en ‘ik hoef die lul echt niet tegen te komen want wil je niet weten wat er gebeurt’. Tevens is de behandeling ter zitting van 10 november 2015 onderbroken nadat [betrokkene] wederom beledigingen tegen de bewindvoerder heeft geuit en heeft gezegd zet mij maar uit de regeling.
Naar het oordeel van de rechtbank is het gedrag van [betrokkene] jegens de bewindvoerder tijdens het telefoongesprek op 2 oktober 2015 en tijdens de behandeling ter zitting op
10 november 2015, gedrag dat in het kader van een schuldsaneringsregeling niet kan worden getolereerd. Het vormt, gelet op de ernst van het gedrag, ook voldoende grond om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen. Van dit gedrag kan [betrokkene] ook een verwijt worden gemaakt. [betrokkene] frustreert met zijn gedrag bovendien een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank deze schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigen op grond van artikel 350 lid Pro 3, aanhef en onder c Fw.
Gebleken is dat er geen baten zijn om de vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Om die reden is artikel 350 lid 5 Fw Pro niet van toepassing en zal deze schuldsaneringsregeling eindigen op de dag dat deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

De beslissing

De rechtbank:
- beëindigt de toepassing van deze schuldsaneringsregeling;
- berekent het bedrag van de vergoeding van de bewindvoerder op € 3.227,50 (inclusief onkosten en omzetbelasting);
- stelt het salaris (inclusief onkosten en omzetbelasting) vast op het voor salaris beschikbare saldo van € 820,- en brengt dit bedrag ten laste van de boedel.
Gewezen door mr. E. Venekatte, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.