Partijen zijn in 1994 gehuwd in gemeenschap van goederen. De vrouw verzoekt echtscheiding en partneralimentatie van €1.250 per maand. De man betwist alimentatieplicht primair vanwege samenwonen vrouw met ander, subsidiair wegens gebrek aan behoefte of draagkracht.
De rechtbank stelt vast dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en spreekt echtscheiding uit. Partijen zijn het eens over verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, behalve over de woning en lening. De man stelt dat slechts een kwart van de woning in de gemeenschap valt vanwege een notariële akte tussen hem en zijn moeder, waarin een schuld werd kwijtgescholden met uitsluiting van gemeenschap. De rechtbank oordeelt dat deze uitsluiting alleen ziet op het kwijtgescholden bedrag en niet op de eigendom van de woning, die volledig in de gemeenschap valt.
De woning wordt gewaardeerd op €398.000 en de lening op €31.764,62. De man wordt eigenaar van woning en lening, waardoor hij overbedeld is. Hij moet de vrouw €181.617,69 betalen. De rechtbank wijst het verzoek tot partneralimentatie af omdat de man onvoldoende draagkracht heeft na financiering van de overbedeling en de vrouw voldoende vermogen zal hebben.
Beide partijen dragen hun eigen proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.