Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De procedure
- de bij brief van 26 april 2016 zijdens [eiseres] ingediende producties
- de mondelinge behandeling.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
527,00
Rechtbank Overijssel
De vennootschap onder firma [eiseres] vordert opheffing van het executoriaal beslag dat op 26 april 2016 is gelegd op haar handelsvoorraad en benzinetanks, gebaseerd op een verstekvonnis van 10 april 2015 tegen de BV [X] B.V. waarin deze veroordeeld werd tot betaling van ruim € 200.000 aan Gulf Oil Nederland B.V.
De rechtbank stelt vast dat de BV [X] B.V. fiscaal geruisloos is ingebracht in de VOF [eiseres], maar dat deze geruisloze inbreng geen rechtsopvolging onder algemene titel inhoudt. De BV is inmiddels uitgeschreven uit het handelsregister en de VOF is sinds 1 januari 2015 actief. De enige bekende schuldeiser, Gulf, wordt door deze constructie geconfronteerd met het onttrekken van verhaal.
De rechtbank oordeelt dat schorsing van executie slechts bij hoge uitzondering kan worden bevolen en dat onvoldoende is gebleken van een afgeronde liquidatie van de BV. De onderhandelingen tussen partijen hebben geen resultaat opgeleverd en de door [eiseres] aangevoerde fiscale inzichten veranderen hier niets aan.
Daarom is het beslag terecht gelegd en wordt de vordering tot opheffing afgewezen. [eiseres] wordt veroordeeld in de proceskosten van Gulf.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het executoriaal beslag wordt afgewezen en [eiseres] wordt veroordeeld in de proceskosten.