Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.[A] ,
[B],
[C],
[D],
Rechtbank Overijssel
Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 3:267 BW Pro om machtiging te verkrijgen voor het beheer van een onroerende zaak en om belanghebbenden te veroordelen tot ontruiming. Na aanhouding en mondelinge behandeling trok verzoekster het verzoek in, maar wilde vervolgens een deel van de procedure alsnog voortzetten. Belanghebbenden sub 3 en 4 stemden niet in met de intrekking zonder vergoeding van proceskosten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de gedeeltelijke ongedaanmaking van de intrekking niet leidt tot een adequate behandeling van het verzoek, omdat het beheer mede afhangt van de situatie omtrent het gebruik en bewoning van de onroerende zaak, waarbij aanwezigheid van belanghebbenden noodzakelijk is. De onduidelijkheid en gedeeltelijke voortzetting zijn in strijd met de goede procesorde.
Daarom werd het verzoek als ingetrokken beschouwd en niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd verzoekster veroordeeld in de proceskosten van belanghebbenden sub 3 en 4, omdat het oorspronkelijke verzoek tot ontruiming jegens hen niet toewijsbaar was en onnodige kosten veroorzaakte. De kosten werden begroot op € 452,00.
Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld in proceskosten van belanghebbenden sub 3 en 4.