ECLI:NL:RBOVE:2016:1619

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
7 april 2016
Publicatiedatum
10 mei 2016
Zaaknummer
C/08/171285 / KG RK 15-320
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:267 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over intrekking verzoek tot beheer en ontruiming onroerende zaak in strijd met goede procesorde

Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 3:267 BW Pro om machtiging te verkrijgen voor het beheer van een onroerende zaak en om belanghebbenden te veroordelen tot ontruiming. Na aanhouding en mondelinge behandeling trok verzoekster het verzoek in, maar wilde vervolgens een deel van de procedure alsnog voortzetten. Belanghebbenden sub 3 en 4 stemden niet in met de intrekking zonder vergoeding van proceskosten.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de gedeeltelijke ongedaanmaking van de intrekking niet leidt tot een adequate behandeling van het verzoek, omdat het beheer mede afhangt van de situatie omtrent het gebruik en bewoning van de onroerende zaak, waarbij aanwezigheid van belanghebbenden noodzakelijk is. De onduidelijkheid en gedeeltelijke voortzetting zijn in strijd met de goede procesorde.

Daarom werd het verzoek als ingetrokken beschouwd en niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd verzoekster veroordeeld in de proceskosten van belanghebbenden sub 3 en 4, omdat het oorspronkelijke verzoek tot ontruiming jegens hen niet toewijsbaar was en onnodige kosten veroorzaakte. De kosten werden begroot op € 452,00.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld in proceskosten van belanghebbenden sub 3 en 4.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer / rekestnummer: C/08/171285 / KG RK 15-320
Beschikking van de voorzieningenrechter van 7 april 2016
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [plaats 1] ,
verzoekster,
advocaat mr. E.F.M. van Swaaij te Breda,
tegen

1.[A] ,

wonende te [plaats 2] ,
advocaat mr. drs. A.Ch. Osté te Dongen,
2.
[B],
wonende te [plaats 3] ,
3.
[C],
wonende te [plaats 4] ,
advocaat mr. M. Moszkowicz te Amsterdam,
4.
[D],
wonende te [plaats 4] ,
advocaat mr. M. Moszkowicz te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
Verzoekster heeft op 1 mei 2015, ter griffie ingekomen op 6 mei 2015, een verzoekschrift ingediend ex artikel 3:267 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
1.2.
Het verzoekschrift heeft betrekking op de onroerende zaak:
Het bedrijfspand met eigen achterom, berging/garage, erf en verdere aanhorigheden, staande en gelegen te [adres] , kadastraal bekend gemeente [plaats 4] , [nummer] , groot vijf aren en dertig centiaren
(hierna te noemen: de onroerende zaak),
1.3.
Verzoekster verzoekt om haar een machtiging te verlenen om de onroerende zaak
in beheer te mogen nemen. Tevens verzoekt verzoekster belanghebbenden sub 1 en 2 te veroordelen de onroerende zaak te ontruimen met al het hunne, met veroordeling van belanghebbenden in de kosten van deze procedure.
1.4.
Verzoekster heeft op 23 juni 2015, ter griffie ingekomen op 24 juni 2015, een aanvullend verzoekschrift ingediend ex artikel 3:267 BW Pro, inhoudende dat - naast belanghebbenden sub 1 en 2 - ook belanghebbenden sub 3 en 4 (respectievelijk huurder en onderhuurder) worden veroordeeld tot ontruiming.
1.5.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 22 september 2015.
Namens verzoekster is verschenen mr. E.F.M. van Swaaij.
Tevens zijn belanghebbenden sub 1, 3 en 4 verschenen. Belanghebbende sub 2 is niet verschenen.
In overleg met partijen is de behandeling van het verzoekschrift aangehouden.
1.6.
Mr. Van Swaaij heeft per e-mail van 9 maart 2016 namens verzoekster bericht dat de procedure kan worden ingetrokken dan wel buiten behandeling gesteld.
1.7.
Bij brief van 14 maart 2016 heeft mr. Moszkowicz namens belanghebbenden sub 3 en 4 meegedeeld niet met intrekking van de procedure te kunnen instemmen tenzij verzoekster alsnog de (proces)kosten volgens het liquidatietarief voldoet.
1.8.
Verzoekster heeft op 30 maart 2016 verzocht de zaak voor wat betreft de overname van het beheer voort te zetten en de zaak voor het overige (de vordering tot ontruiming) aan te houden. Zij verzoekt daarbij een nieuwe zittingsdatum te bepalen. Gezien het feit dat ten aanzien van de ontruiming aanhouding wordt gevraagd behoeven de belanghebbenden en mr. Moszkowicz, aldus mr. Van Swaaij, niet op die zitting te verschijnen.

2.De beoordeling

2.1.
Gezien de intrekking van het verzoek, de door belanghebbenden sub 3 en 4 gevraagde proceskostenveroordeling en het korte tijd daarna gedane verzoek de zaak alsnog (gedeeltelijk) voort te zetten, zal de voorzieningenrechter vooreerst dienen te onderzoeken of en in hoeverre onderhavig verzoek (nog) ter beoordeling staat.
2.2.
De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking de omstandigheid dat het verzoek na de mondelinge behandeling op 22 september jl. gedurende lange tijd is aangehouden. Aangenomen moet dan ook worden dat de intrekking van het verzoek door verzoekster op 9 maart jl. weloverwogen tot stand is gekomen.
Van belang is voorts dat verzoekster niet duidelijk is over wat haar met de ongedaanmaking van de intrekking voor ogen staat. De ongedaanmaking van de intrekking strekt zich immers kennelijk (nog) niet uit tot het verzoek belanghebbenden te veroordelen tot ontruiming van de onroerende zaak. De hiermee kennelijk door verzoekster voorgestane gedeeltelijke behandeling van het verzoek (wel het beheersbeding, niet de ontruiming) kan echter niet leiden tot een adequate behandeling van het verzoek de onroerende zaak in beheer te mogen nemen. Bij de vraag of verzoekster een machtiging zou moeten worden verleend om de onroerende zaak in beheer te nemen speelt immers ontegenzeggelijk een rol of de onroerende zaak bewoond of gebruikt wordt en of dit gebruik wel of niet zal worden voortgezet. Dit betekent dat van een voortzetting van de behandeling van het verzoek de onroerende zaak in beheer te mogen nemen, zonder belanghebbenden in de gelegenheid te stellen daarbij aanwezig te zijn, dan ook geen sprake kan zijn.
2.3.
Aldus moet worden geconcludeerd dat verzoekster geen eenduidig verzoek tot ongedaanmaking van de door haar eerder gedane intrekking van het verzoekschrift heeft gedaan. Nu de door verzoekster voorgestane wijze van behandeling (deels behandelen, deels aanhouden) voorts niet kan leiden tot een adequate beoordeling van het verzoek en definitieve afhandeling daarvan, maar wel zal leiden tot de nodige extra kosten aan de zijde van belanghebbenden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek tot ongedaanmaking van de intrekking in het onderhavige geval in strijd is met de eisen van een goede procesorde.
2.4.
De voorzieningenrechter zal er bij de verdere beoordeling van het verzoek dan ook van uitgaan dat het verzoek is ingetrokken. Dit betekent dat aan een beoordeling van het verzoek niet meer wordt toegekomen, zodat het verzoek niet-ontvankelijk is.
2.5.
Het namens belanghebbenden sub 3 en 4 tijdens de mondelinge behandeling gedane, en bij brief van 14 maart 2016 herhaalde, verzoek om een proceskostenveroordeling is toewijsbaar. Hierbij is van belang dat het oorspronkelijke verzoek tot ontruiming ten aanzien van belanghebbenden sub 3 en 4 nimmer toewijsbaar zou zijn geweest. Als (onder)huurders van de onroerende zaak vallen belanghebbenden sub 3 en 4 immers niet onder de werking van artikel 3:267 BW Pro. Daarbij komt nog dat van de voor de ontruiming van huurders noodzakelijke aanzegging van de executie geen sprake was. Dit betekent dat verzoekster met het verzoek onnodig kosten heeft veroorzaakt aan de zijde van belanghebbenden sub 3 en 4. De kosten die belanghebbenden sub 3 en 4 in verband met de mondelinge behandeling op 22 september 2015 hebben moeten maken worden conform het liquidatietarief begroot op € 452,00.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter
3.1.
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek,
3.2.
veroordeelt verzoekster in de proceskosten, aan de zijde van belanghebbenden sub 3 en 4 samen tot op heden begroot op € 452,00.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.H.S. Lebens-de Mug en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2016.