In deze kort geding procedure vordert Payroll Intermediair B.V. (PI cs) dat de gedaagde, een handelsagent, wordt verboden om concurrerende activiteiten te verrichten binnen bepaalde provincies en dat hij een boete betaalt wegens schending van een non-concurrentiebeding in een agentuurovereenkomst.
PI cs stelt dat tussen partijen een geldige agentuurovereenkomst met een non-concurrentiebeding bestaat en dat de gedaagde dit beding heeft geschonden door voor een concurrent te werken. De overeenkomst zou per direct zijn beëindigd en er is een boete verschuldigd. De gedaagde betwist dat hij de overeenkomst heeft getekend en voert aan dat het concurrentiebeding te ruim is geformuleerd.
De rechtbank oordeelt dat in een kort geding geen definitieve bewijslevering kan plaatsvinden, maar dat PI cs onvoldoende heeft aangetoond dat er een geldige overeenstemming over het non-concurrentiebeding bestaat. De gedaagde heeft gemotiveerd betwist te hebben getekend en er zijn aanwijzingen dat hij niet onverkort heeft ingestemd. Daarom wordt de vordering afgewezen.
PI cs wordt veroordeeld in de proceskosten, die nihil worden begroot. Het vonnis is gewezen door kantonrechter G.G. Vermeulen en op 23 augustus 2016 openbaar uitgesproken.