Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
gemachtigde: A. Oosters,
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Het geschil
3.Beoordeling van het geschil
kondenzijn.
4.Proceskosten
5.Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
Rechtbank Overijssel
In deze bestuursrechtelijke zaak stond de hoogte van de proceskostenvergoeding centraal in negen samenhangende WOZ-bezwaren van eiser tegen de Regionale Belastingsamenwerking. Verweerder had de waarde van een onroerende zaak vastgesteld en na bezwaar verminderd, maar de proceskostenvergoeding werd door eiser betwist.
De rechtbank beoordeelde of sprake was van samenhangende zaken volgens het gewijzigde Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) per 1 januari 2015. De criteria zijn dat bezwaren gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig behandeld zijn en dat dezelfde rechtsbijstandverlener nagenoeg identieke werkzaamheden in elke zaak kon verrichten. De rechtbank concludeerde dat de negen bezwaren inderdaad samenhangend zijn, mede vanwege de vergelijkingsmethode en de aard van de woningen.
De rechtbank oordeelde dat de vergoeding voor de hoorzitting onredelijk was vastgesteld omdat slechts in vier van de negen zaken een hoorzitting plaatsvond. Daarom werd de vergoeding voor de hoorzitting verhoogd naar een kwart punt in plaats van een negende punt. De totale proceskostenvergoeding werd vastgesteld op € 382,25. Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder in de kosten van het beroep en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan eiser werd vergoed.
Uitkomst: De rechtbank stelde de proceskostenvergoeding vast op € 382,25 en veroordeelde verweerder in de kosten van het beroep en griffierecht.