Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2016:4372

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 januari 2016
Publicatiedatum
14 november 2016
Zaaknummer
F/08/12/584
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 sub b en c Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schuldsanering wegens niet te goeder trouw en onvoldoende saneringsgezindheid

De rechtbank Overijssel behandelde het verzoek van de schuldenaar om zijn faillissement op te heffen onder toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp). De schuldenaar was sinds 24 oktober 2012 failliet en had een aanzienlijke schuld, waaronder een schuld van meer dan € 200.000 aan een schuldeiser die voortvloeide uit een civiele veroordeling wegens misleidende handelspraktijken.

De curator en een schuldeiser stelden dat de schuld niet te goeder trouw was ontstaan, mede omdat de schuldenaar betrokken was bij onrechtmatige handelspraktijken en onvoldoende medewerking had verleend aan het faillissementsonderzoek. De schuldenaar stelde dat hij vrijwilligerswerk verrichtte en bleef solliciteren, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen.

De rechtbank oordeelde dat de schuld niet te goeder trouw was ontstaan, omdat de feiten van misleiding vaststaan en de schuldenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zou nakomen. De rechtbank wees het verzoek daarom af op grond van artikel 288 lid 1 sub b en Pro c van de Faillissementswet.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens niet te goeder trouw ontstaan van schulden en onvoldoende aannemelijkheid van nakoming van verplichtingen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer: F/08/12/584
datum vonnis: 12 januari 2016
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

[verzoeker] ,

geboren op [1951] te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] , [adres]
verzoeker,
verder te noemen: [verzoeker]

Het procesverloop

[verzoeker] heeft verzocht zijn faillissement op te heffen onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Op 16 november jl. heeft de rechtbank een brief van de advocaat van één van de schuldeisers van [verzoeker] ontvangen.
De zaak is behandeld ter terechtzitting van 8 december 2015. Ter zitting zijn [verzoeker] en de curator verschenen. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling

De feiten
[verzoeker] is op 24 oktober 2012 op eigen aangifte failliet verklaard, waarbij mr. Cornelissen tot curator is benoemd. Gedurende het faillissement is mr. Cornelissen in zijn taak van curator vervangen door mr. Vos. De schuldenlast van [verzoeker] bedraagt in totaal
€ 292.010,05 waaronder de volgende schuld:
- Mevrouw [X] ad € 201.433,93
De verklaring van de curator
Bij brief van 25 september 2015 heeft de curator zijn bevindingen en zijn visie omtrent het wsnp-verzoek van [verzoeker] kenbaar gemaakt aan de rechtbank. De curator heeft verklaard dat de vordering van mevrouw [X] voortvloeit uit een vonnis van de rechtbank Groningen van 8 oktober 2010 waarbij [verzoeker] wegens het gebruik maken van misleidende handelspraktijken op grond van onrechtmatige daad is veroordeeld tot het betalen van € 187.000,00 aan [X] . Deze schuld is naar het oordeel van de curator niet te goeder trouw ontstaan. De curator heeft voorts verklaard dat [verzoeker] naar eigen zeggen gedurende het eerste jaar van het faillissement tevergeefs heeft gesolliciteerd naar werk maar dat de curator niet is gebleken van bewijzen van sollicitatie activiteiten. Na enige tijd heeft [verzoeker] de curator medegedeeld dat hij onbetaald vrijwilligerswerk wil gaan doen. De voormalige curator mr. Cornelissen heeft deze wens van [verzoeker] destijds voor kennisgeving aangenomen.
De brief van mr. Gans namen mevrouw [X]
Mr. Gans heeft in zijn brief van 13 november jl. namens [X] verklaard dat de vordering van [X] is ontstaan doordat [verzoeker] op onjuiste grond heeft bewogen om een zeer substantieel bedrag te investeren in door [verzoeker] gepresenteerde – maar nooit gerealiseerde – bouwprojecten van één van zijn vennootschappen in Polen en Roemenië. Hoewel [X] zaken deed met een vennootschap van [verzoeker] heeft de rechtbank [verzoeker] persoonlijk veroordeeld om de investering aan [X] terug te betalen. Dit betekent volgens mr. Gans dat [verzoeker] een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Mr. Gans verwijst voorts naar het laatste faillissementsverslag van 6 april 2011 in het faillissement van VCE Roemenië C.V. en [A] Vastgoed Roemenië B.V., waarvan [verzoeker] tevens bestuurder was. Uit dit verslag blijkt dat de curator heeft geconstateerd dat geld van investeerders niet is aangewend conform de afspraak tussen de investeerders en de vennootschap van [verzoeker] maar veelal aan derde partijen is uitgekeerd waarvan [verzoeker] eveneens bestuurder was, aldus mr. Gans. Wat er met het geld dat [verzoeker] naar zichzelf heeft toegesluisd is gebeurd is tot op heden onbekend gebleven. Uit het faillissementsverslag blijkt voorts dat [verzoeker] de curator geen (volledige) inzage in de administratie heeft gegeven. De toenmalige curator in dat faillissement, mr. Ubbens, heeft thans bevestigd dat [verzoeker] deze weigerachtige houding nooit heeft laten varen.
De toelichting van [verzoeker]
heeft in zijn wsnp-verzoek verklaard dat hij sinds drie jaar ongeveer 30 uur per week vrijwilligerswerk verricht bij de voedselbank en dat hij daar inmiddels ook bestuurslid is. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat hij is blijven solliciteren naar betaald werk maar dat zijn leeftijd en historie niet meewerken. [verzoeker] heeft voorts verklaard dat hij de zienswijze van mr. Ubbens bestrijdt en dat hij zijn medewerking wel heeft verleend. [verzoeker] heeft naar eigen zeggen wel contact met mr. Ubbens gehad en een aanhanger vol administratie aangeleverd. [verzoeker] heeft voorts verklaard dat hij zowel door de rechtbank Groningen als het gerechtshof Leeuwarden is vrijgesproken van oplichting.
De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het wsnp-verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De schuld aan [X] is naar het oordeel van de rechtbank niet te goeder trouw ontstaan. De schuld vloeit namelijk voort uit een veroordeling door de voorzieningenrechter op 8 oktober 2010 tot het betalen van
€ 187.000,00 op grond van onrechtmatige daad wegens misleidende handelspraktijken. Het ontstaan van de schuld aan [X] moet [verzoeker] derhalve in ernstige mate worden verweten. Aangezien het vonnis van de voorzieningenrechter in kracht van gewijsde is gegaan moeten de door de voorzieningenrechter aangenomen feiten als vaststaand worden aangenomen. [verzoeker] heeft bovendien gesteld noch bewezen dat de door de voorzieningenrechter aangenomen feiten zich niet hebben voorgedaan. De rechtbank overweegt voorts dat het oordeel van de voorzieningenrechter dat [verzoeker] zich heeft bediend van misleidende praktijken eveneens lijkt te worden onderstreept door mr. Ubbens, curator in het faillissement van VCE Roemenië C.V. en [A] Vastgoed Roemenië B.V., waarvan [verzoeker] bestuurder was. De curator verklaart in zijn laatste faillissementsbeslag immers dat ‘onderzoek leert dat een groot gedeelte van de investeringsgelden niet zijn aangewend conform de afspraak tussen de investeerders en het concern van de heer [verzoeker] . Ook heeft de heer [verzoeker] geenszins gehandeld conform hetgeen in het door VCE uitgegeven prospectus wordt voorgespiegeld. Het administratie onderzoek wijst tevens uit dat er vele gelden aan derden zijn betaald, waarvan de (voormalig) bestuurders van VCE, S&KVR en SKI ook bestuurder zijn of zijn geweest’. Uit het faillissementsverslag blijkt voorts dat [verzoeker] persoonlijk naar het oordeel van de curator aansprakelijk was voor het tekort in het faillissement maar dat gelet op het gebrek aan verhaal een aansprakelijkstelling achterwege is gelaten en over is gegaan tot afwikkeling van de faillissementen.
Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de schulden van [verzoeker] niet te goeder trouw zijn ontstaan. De door [verzoeker] aangevoerde omstandigheid dat hij tot tweemaal toe is vrijgesproken van oplichting maakt dit oordeel niet anders, aangezien dit een strafrechtelijke procedure was waarbij een andere beoordelingsmaatstaf geldt dan in het civiele recht dan wel in een procedure zoals de onderhavige.
De rechtbank overweegt voorts dat de schulden van [verzoeker] weliswaar langer dan vijf jaar geleden ontstaan maar dat dit niet tot de conclusie leidt dat het wsnp-verzoek dient te worden toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoeker] namelijk onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is geweest. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Van een schuldenaar met een problematische schuldenlast mag worden verwacht dat hij of zij zich maximaal inspant om zoveel mogelijk inkomen te genereren teneinde de schulden af te lossen. Niet is gebleken dat [verzoeker] dit de afgelopen jaren heeft gedaan. De curator heeft geen bewijzen van sollicitaties ontvangen en [verzoeker] heeft zijn stelling dat hij al jaren solliciteert naar werk niet onderbouwd met stukken.
De omstandigheid dat [verzoeker] de afgelopen jaren niet aantoonbaar heeft gesolliciteerd leidt de rechtbank bovendien tot de conclusie dat [verzoeker] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling kan nakomen. Dit geldt voor de inspanningsplicht maar ook voor de informatieplicht. De omstandigheid dat [verzoeker] mr. Ubbens, voormalig curator in het faillissement van VCE Roemenië C.V. en [A] Vastgoed Roemenië B.V., niet van gevraagde stukken heeft voorzien en gedurende dit faillissement een weigerachtige houding heeft gehandhaafd getuigt immers niet van een saneringsgezinde houding.
Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek af op grond van artikel 288 lid Pro 1, aanhef en onder b en c Faillissementswet.

De beslissing:

de rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Gewezen door mr. E. Venekatte, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 januari 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.
De schuldenaar heeft gedurendeacht dagen na de dag van deze uitspraakhet recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend worden ingesteld bij door een advocaat ondertekend verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.