ECLI:NL:RBOVE:2016:4392

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 november 2016
Publicatiedatum
14 november 2016
Zaaknummer
ak_16 _ 1466
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Regeling subsidie scholing en plaatsing oudere werklozenArt. 10 Regeling subsidie scholing en plaatsing oudere werklozenHoofdstuk II WerkloosheidswetHoofdstuk IV Werkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing plaatsingsfee voor oudere werknemer wegens niet voldoen aan WW II-uitkeringsvereiste

Eiseres, Jobcenter Intermediaire Diensten B.V., verzocht om een plaatsingsfee voor een oudere werknemer die bij haar in dienst trad. Verweerder, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, wees de aanvraag af omdat de werknemer niet vanuit een WW II-uitkering was geplaatst, maar vanuit een faillissementsuitkering, waardoor niet aan de voorwaarden van de Regeling subsidie scholing en plaatsing oudere werklozen werd voldaan.

De rechtbank overwoog dat de Regeling duidelijk stelt dat alleen oudere werklozen met een uitkering op grond van hoofdstuk II van de WW in aanmerking komen voor subsidie. De werknemer had geen recht op een dergelijke uitkering op het moment van indiensttreding, waardoor de plaatsingsfee terecht werd geweigerd.

Verder oordeelde de rechtbank dat verweerder niet tekort was geschoten in de informatievoorziening. De informatie op de website en het aanvraagformulier verwees naar de Regeling en de voorwaarden waren helder. Het was aan eiseres om zich goed te informeren over de inhoud van de Regeling.

Het beroep van eiseres werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de plaatsingsfee is ongegrond verklaard omdat niet voldaan is aan de voorwaarden van de Regeling.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 16/1466

uitspraak van de meervoudige kamer in het geschil tussen

Jobcenter Intermediaire Diensten B.V., te Deventer, eiseres,

gemachtigde: [naam],
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder,
gemachtigde: M. Hoogeveen.

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een plaatsingsfee ten behoeve van [naam] (verder: werknemer) afgewezen.
Bij besluit van 25 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2016.
Namens eiseres is gemachtigde verschenen. Ook verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Werknemer, geboren op 21 juli 1953, is door verweerder met toepassing van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) in aanmerking gebracht voor een uitkering wegens betalingsonmacht van zijn werkgever Imtech Building Services B.V.. Het dienstverband van werknemer is per 2 oktober 2015 beëindigd.
1.2.
Bij besluit van 14 september 2015 heeft verweerder werknemer in verband met werkloosheid met ingang van 2 oktober 2015 een uitkering op grond van hoofdstuk II
van de WW toegekend.
1.3.
Werknemer is met ingang van 28 september 2015 bij eiseres in dienst getreden.
1.4.
Met een besluit van 2 oktober 2015 heeft verweerder het toekenningsbesluit WW van
14 september 2015 herzien, omdat werknemer wegens het aanvaarden van werk niet werkloos is geworden.
1.5.
Op 20 oktober 2015 heeft verweerder een doelgroepverklaring verstrekt, ten behoeve van de aanvraag premiekorting voor een oudere werknemer.
1.6.
Eiseres heeft in verband met de indiensttreding van werknemer op 19 januari 2016 een aanvraag voor een plaatsingsfee ingediend, die door verweerder op 22 januari 2016 is ontvangen. Deze aanvraag heeft geleid tot de onder “Procesverloop” weergegeven besluitvorming.
2.1.
Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd, dat werknemer niet vanuit een WW-uitkering op grond van hoofdstuk II in een dienstbetrekking is geplaatst, zodat niet aan alle vereisten voor het toekennen van een plaatsingsfee is voldaan.
2.2.
Eiseres heeft -samengevat- betoogd, dat werknemer wel vanuit een WW-uitkering aan het werk is gegaan, namelijk vanuit een faillissementsuitkering. Verweerder heeft in de informatievoorziening noch in het primaire besluit neergelegd dat het onderscheid in soort WW-uitkering relevant is. Eerst in bezwaar is dat eiseres duidelijk geworden. Voor het tewerkstellen van werknemer was het toekennen van de plaatsingsfee cruciaal. Een doelgroepverklaring is voor werknemer wel afgegeven, waaraan een werkgever rechten moet kunnen ontlenen.
3. De rechtbank overweegt als volgt.
3.1.
De Regeling subsidie scholing en plaatsing oudere werklozen (hierna: de Regeling) is sinds 1 oktober 2013 van kracht (Staatscourant 2013, 27343) en laatstelijk gewijzigd met ingang van 20 september 2014 (Staatscourant 2014, 26414). De regeling heeft tot doel
oudere werklozen via een scholings- en plaatsingssubsidie dichterbij de arbeidsmarkt te brengen.
3.2.
Op grond van artikel 1 van Pro de Regeling wordt onder ’oudere werkloze’ verstaan de persoon die recht heeft op een uitkering op grond van hoofdstuk II van WW en die op de dag van aanvang van de scholing of EVC-procedure, dan wel op de dag van aanvang van de dienstbetrekking de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt.
3.3.
Voor subsidie voor plaatsing komt op grond van artikel 10 van Pro de Regeling – kortweg -in aanmerking, de intermediair door wiens bemiddeling een oudere werkloze een dienstbetrekking heeft aanvaard.
3.4.
Werknemer heeft geen recht gehad op een uitkering op grond van hoofdstuk II van de WW, en is daarmee geen oudere werkloze in de zin van de Regeling. Er is daarom geen grond voor toekenning van subsidie ingevolge het bepaalde in artikel 10 van Pro de Regeling.
3.5.
De rechtbank ziet geen aanleiding te oordelen dat verweerder tekort is geschoten in zijn informatievoorziening ten opzichte van eiseres. In dat verband acht de rechtbank van belang dat de Regeling, zoals deze is weergegeven bij rechtsoverweging 3.2, duidelijk en niet voor meerdere uitleg vatbaar is. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht zich te hebben geïnformeerd aan de hand van de website van verweerder en het aanvraagformulier, maar niet aan de hand van de Regeling zelf. De rechtbank stelt vast dat zowel op het aanvraagformulier als op de website van verweerder onder het kopje “voorwaarden voor een plaatsingsfee” onder meer wordt gemeld dat het moet gaan om een werkzoekende met een WW-uitkering, die in de nieuwe dienstbetrekking werkt voor minimaal de helft van het aantal uren waarvoor hij een WW-uitkering krijgt. Op de website is daarbij een (werkende) link naar de Regeling geplaatst. Van verkeerde voorlichting is geen sprake geweest. Voor zover de informatie op het formulier of de site bij eiseres vragen opriep, was het de verantwoordelijkheid van haarzelf om zich op de hoogte te stellen van de inhoud van de Regeling waarop zij een beroep wilde doen.
3.6.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder eisers aanvraag voor een plaatsingsfee op goede gronden heeft afgewezen.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. F. Bijloo, voorzitter, en mr. A. Oosterveld en
mr. S.H. Peper, leden, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.