ECLI:NL:RBOVE:2016:4812
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak ontuchtige handelingen en aanranding wegens onvoldoende bewijs
De rechtbank Overijssel behandelde een zaak waarin een 37-jarige man werd verdacht van ontuchtige handelingen met een toen negenjarig meisje en aanranding van een vrouw. De feiten zouden hebben plaatsgevonden in respectievelijk juli 2014 en de periode mei tot juli 2015. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 150 dagen, waarvan 149 voorwaardelijk, en een werkstraf van 240 uur.
Tijdens de zitting ontkende de verdachte de beschuldigingen en verklaarde hij slechts de minderjarige over haar schouder te hebben geaaid. De rechtbank beoordeelde het bewijs, waaronder verklaringen van het slachtoffer, getuigen en psychologisch onderzoek. Gezien het ontbreken van voldoende steunbewijs naast de verklaringen van de slachtoffers en de zwakbegaafdheid van de verdachte, oordeelde de rechtbank dat het bewijs niet voldeed aan het wettelijk bewijsminimum.
Ook ten aanzien van de aanranding van de vrouw was de rechtbank van oordeel dat de verklaringen onvoldoende werden ondersteund door ander bewijs. De verdachte ontkende de aantijgingen en de vermeende bekentenis aan de werkgever werd door de rechtbank niet geloofwaardig geacht.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van beide tenlastegelegde feiten. De benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard in hun schadevorderingen en verwezen naar de burgerlijke rechter.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.