Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het procesverloop
- de ouders, beiden bijgestaan door hun advocaat,
- de heer J.J. de Vries, namens de Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen
Rechtbank Overijssel
De vader verzocht de rechtbank om de moeder te veroordelen tot terugbetaling van bedragen die zij van de bankrekening van hun minderjarige dochter had opgenomen. Volgens de vader had de moeder deze gelden zonder toestemming voor eigen gebruik aangewend. De moeder stelde dat zij met instemming van de vader handelde en dat het geld nodig was voor een snelle verhuizing na de echtscheiding.
De rechtbank hield een zitting met gesloten deuren waarbij ook de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig was. Tijdens de zitting spraken de ouders af deel te nemen aan het BRAM-project om afspraken te maken over zorg- en contactregelingen. Dit project mislukte, waarna de rechtbank een beslissing moest nemen.
De rechtbank oordeelde dat er geen geschil bestond over de gezagsuitoefening in de zin van artikel 1:253a BW, aangezien het betrof een vermogensrechtelijke kwestie over terugbetaling van gelden. De geschillenregeling is niet bedoeld voor dergelijke vermogensrechtelijke conflicten. Daarom wees de rechtbank het verzoek van de vader af en bepaalde dat elk van de ouders zijn eigen proceskosten draagt.
Uitkomst: Het verzoek van de vader wordt afgewezen omdat het geschil niet onder de geschillenregeling van artikel 1:253a BW valt.