De zaak betreft een vordering van een werknemer tegen de Sociale Verzekeringsbank (SVB) wegens kennelijk onredelijk ontslag. De werknemer was sinds 1978 in dienst en vervulde de functie van medewerker integraal serviceteam C, welke per 2015 werd aangepast binnen een nieuwe functiestructuur. De SVB had de arbeidsovereenkomst opgezegd wegens structureel onvoldoende functioneren, ondanks meerdere functioneringsgesprekken en beoordelingen waarin het functioneren als matig werd beoordeeld.
De werknemer stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was omdat hij onvoldoende tijd had gekregen om zich de nieuwe functie eigen te maken, er geen reëel verbetertraject was geboden en hem ten onrechte een demotie was onthouden. De rechtbank oordeelde dat de oude en nieuwe functies vergelijkbaar waren en dat de SVB vanaf 2012 regelmatig kritiek had geuit op het functioneren van de werknemer, met voldoende begeleiding en mogelijkheden tot verbetering.
De rechtbank vond dat de werknemer onvoldoende had onderbouwd dat de ontslagreden vals of voorgewend was en dat de SVB een redelijk belang had bij beëindiging van het dienstverband. Er waren geen andere gronden voor kennelijke onredelijkheid gesteld. De vordering tot verklaring van kennelijk onredelijk ontslag en schadevergoeding werd daarom afgewezen.
De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd gewezen door kantonrechter W.F. Boele en op 6 december 2016 in het openbaar uitgesproken.