ECLI:NL:RBOVE:2016:5294

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 november 2016
Publicatiedatum
7 februari 2017
Zaaknummer
188772 FT RK 16/861
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Koopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 onder b FwArt. 288 lid 1 onder c FwArt. 288 lid 3 FwArt. 292 lid 3 FwArt. 361 Fw
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling wegens verwijtbare schulden en twijfel aan saneringsgezindheid

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van het verzoekschrift, bijlagen, een specificatie van schulden aan het LBIO, een brief van maatschappelijk werk en een uittreksel uit de Justitiële Documentatie.

De rechtbank constateert dat een groot deel van de schulden verwijtbaar is, met name door fraude met bijstand en niet-betaalde alimentatie. Een aantal schulden is ouder dan vijf jaar en wordt buiten beschouwing gelaten, maar de alimentatieschuld van ruim €14.500 is van recente datum en vormt een zwaarwegend bezwaar.

Daarnaast acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker zich tijdens een schuldsaneringsregeling voldoende zal inspannen om werk te vinden en baten voor de boedel te verwerven, mede omdat verzoeker momenteel niet werkt en niet actief solliciteert, met als reden de zorg voor zijn dochter.

Op grond van artikel 288 lid 1 onder Pro b en c van de Faillissementswet wordt het verzoek afgewezen. De hardheidsclausule is niet van toepassing omdat het verzoek mede op grond van verwijtbare schulden wordt afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens verwijtbare schulden en twijfel aan saneringsgezindheid.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team toezicht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer: 188772 FT RK 16/861
datum uitspraak: 8 november 2016
Vonnis van rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

[verzoeker] ,

geboren op [1965] te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] .

Het procesverloop

Verzoeker heeft op 7 juli 2016 een verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling met bijlagen ingediend.
Op 19 september 2016 heeft verzoeker een specificatie van de schuld aan het LBIO overgelegd.
Op 27 september 2016 is een brief ontvangen van mevrouw [A] , maatschappelijk werk.
Het verzoek is ter zitting behandeld op 25 oktober 2016, waar verzoeker is verschenen.
Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
Bij de beoordeling heeft de rechtbank acht geslagen op:
  • het door verzoeker overgelegde verzoekschrift met bijlagen en nader ingezonden specificatie van de schuld aan het LBIO;
  • de brief van mevrouw [A] ;
  • een uittreksel uit de Justitiële Documentatie.

De beoordeling

De feiten:
Verzoeker is gescheiden. Verzoeker heeft daarna een relatie gehad, waaruit een dochter (thans zeven jaar oud) is geboren die thans door verzoeker wordt verzorgd. De partner van verzoeker is enige jaren geleden overleden.
Verzoeker heeft blijkens het verzoekschrift een schuldenlast van € 135.984,23, waaronder schulden aan de belastingdienst van € 11.020,00, aan [gemeente] van
€ 22.225,08, aan het LBIO van € 15.216,79.
3. De schuld aan [gemeente] betreft steunfraude en is in 2010 ontstaan en aan het licht gekomen. Strafrechtelijke vervolging is voorkomen doordat verzoeker voor zijn aandeel in die steunfraude in 2012 bij wijze van transactie 70 uur onbetaalde arbeid heeft verricht.
Het standpunt van verzoeker:
Volgens verzoeker is het waarschijnlijk dat de schuld aan Zilveren Kruis van ruim
€ 16.000,00 abusievelijk twee keer in het verzoekschrift is opgenomen.
Verzoeker heeft verklaard dat de schuld aan [gemeente] is ontstaan doordat zijn toenmalige partner, die een bijstandsuitkering genoot, ondanks zijn aandringen niet aan de gemeente heeft doorgegeven dat verzoeker loon ontving.
Verzoeker werkt niet en solliciteert niet omdat hij er wil zijn voor zijn dochter. Als het moet wil verzoeker wel werken, maar hij heeft een plicht tegenover zijn dochter om thuis te zijn.
De motivering van de beslissing:
1. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 1 onder Pro b Fw, omdat niet aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het doen ontstaan van (een aantal) schulden niet te goeder trouw is geweest.
2. Een zeer groot deel van de schuldenlast van verzoeker is als verwijtbaar te bestempelen omdat deze zijn ontstaan doordat is gefraudeerd met bijstand en omdat alimentatie niet is betaald.
3. Een aantal van die verwijtbare schulden is langer dan vijf jaar geleden ontstaan (te weten de schuld aan [gemeente] wegens steunfraude en de schulden aan de belastingdienst wegens IB 2009 en 2010) en kunnen bij de beoordeling van dit verzoek buiten beschouwing blijven.
4. Een aanzienlijk deel van de verwijtbare schuldenlast is echter van recentere datum. De rechtbank wijst in dit verband op de alimentatieschuld van (volgens opgave van het LBIO)
€ 14.516,00. De rechtbank merkt nog op dat die schuld niet is ontstaan in 2010, zoals in het verzoekschrift vermeld. Uit de door de rechtbank opgevraagde en door verzoeker overgelegde stukken blijkt immers dat die schuld tot in juli 2015, toen de alimentatie op verzoek van verzoeker op nihil is gesteld, is opgelopen.
5. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 1 onder Pro c Fw.
De rechtbank acht het namelijk niet aannemelijk dat verzoeker de verplichtingen tijdens de schuldsaneringsregeling zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
De rechtbank wijst in dit verband op het feit dat verzoeker op dit moment niet werkt en ook niet naar werk zoekt. De reden die verzoeker daarvoor opgeeft is dat hij zijn thans zevenjarige dochter wil verzorgen. Verzoeker heeft ter zitting nog wel verklaard dat hij wil gaan werken, maar hij heeft daar zoveel voorwaarden aan verbonden en moeilijkheden voor opgeworpen dat de rechtbank er geen vertrouwen in heeft dat verzoeker zich tijdens een schuldsaneringsregeling naar behoren zal inspannen om betaald werk te vinden.
6. Nu het onderhavige verzoek mede wordt afgewezen op grond van artikel 288 lid 1 onder Pro c Fw. is er voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro, zo daar een beroep op zou zijn gedaan, geen plaats.

De beslissing

De rechtbank:
Wijst het verzoek af.
Gewezen door mr. Koopmans, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 8 november 2016, in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.De schuldenaar heeft gedurende