Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
[verzoekster] ,
Het procesverloop
De beoordeling
- Belastingdienst € 36.495,00;
- Kinderopvang […] € 11.534,59.
Rechtbank Overijssel
Verzoekster, een alleenstaande moeder met twee minderjarige kinderen, heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Zij heeft een aanzienlijke schuld opgebouwd, voornamelijk bestaande uit teruggevorderde kinderopvangtoeslag over 2013 en 2014. Verzoekster verklaarde in financiële problemen te zijn gekomen door persoonlijke omstandigheden, waaronder ziekte van haar dochter en een verhuizing naar een duurdere woning, en heeft hulp gezocht bij de Stadsbank en een wijkcoach.
De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekster niet te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en het onbetaald laten van de schulden. Zij heeft bewust een deel van de kinderopvangtoeslag voor andere doeleinden gebruikt dan waarvoor deze bestemd was en heeft nagelaten de benodigde bewijsstukken aan te leveren aan de belastingdienst. Ondanks dat recent bezwaar is ingediend tegen de terugvorderingen, acht de rechtbank dit onvoldoende om te spreken van goede trouw.
De rechtbank overweegt dat verzoekster de situatie nog niet bestendig onder controle heeft, mede gelet op de late indiening van het bezwaar. De rechtbank wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af op grond van artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet Pro. Verzoekster wordt verwezen naar de mogelijkheid om bij substantiële vermindering van de terugvorderingen opnieuw een verzoek in te dienen.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het niet te goeder trouw zijn van verzoekster bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden.