ECLI:NL:RBOVE:2016:5304

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 september 2016
Publicatiedatum
22 februari 2017
Zaaknummer
C/08/185317 / FT RK 16/513
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 onder b FwArt. 288 lid 1 onder c Fw
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende nakoming

De rechtbank Overijssel behandelde het verzoek van [A], een arbeidsongeschikte man met een WIA-uitkering en een schuldenlast van €20.896,52, om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling toe te passen.

Tijdens de zitting bleek dat [A] eigenaar of mede-eigenaar is van een woning in Turkije met een waarde tussen €30.000 en €40.000, die hij niet wenst te verkopen om zijn schulden af te lossen. Tevens ontvangt hij huurinkomsten uit deze woning, welke niet zijn aangewend voor schuldbetaling. Dit werd pas ter zitting bekend, terwijl het verzoekschrift hierover niets vermeldde.

De rechtbank oordeelde dat de goede trouw van [A] bij het onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek niet aannemelijk is. Daarnaast achtte de rechtbank onvoldoende aannemelijk dat [A] zijn verplichtingen tijdens de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen. Op grond hiervan wees de rechtbank het verzoek af op basis van artikel 288 lid 1 onder Pro b en c van de Faillissementswet. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat het verzoek ook op andere gronden werd afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende aannemelijkheid van nakoming.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer: C/08/185317 / FT RK 16/513
uitspraakdatum: 20 september 2016
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken op het verzoek van:

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,
verder [A] te noemen.

Het procesverloop

[A] heeft een verzoekschrift ingediend de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit te spreken.
De zaak is behandeld ter zitting van 6 september 2016. Ter zitting is [A] verschenen, vergezeld van mevrouw [B] , werkzaam bij de Stadsbank Oost Nederland, en van mevrouw [C] , werkzaam bij het RIBW. Van de behandeling ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling

De feiten
[A] is een gescheiden man zonder inwonende kinderen. [A] ontvangt een WIA-uitkering van € 942,65 per maand. Hij is voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt verklaard.
De schuldenlast van [A] bedraagt in totaal € 20.896,52.
De toelichting van [A]
heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij een woning in Turkije heeft met een waarde van € 30.000,- tot € 40.000,-. [A] wil het huis niet verkopen om de schulden weg te werken. Als hij oud is wil hij in het huis gaan wonen. De woning wordt verhuurd en de bedragen worden door [A's] broer geïnd. Volgens [A] heeft hij meerdere broers en zussen die mede-eigenaar zijn van het huis.
De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank zal het verzoek afwijzen. Zij acht de goede trouw van [A] bij het onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het onderhavige verzoek niet aannemelijk. Ter zitting is gebleken dat [A] eigenaar dan wel mede-eigenaar is van een woning in Turkije. De waarde van de woning bedraagt naar zeggen van [A] € 30.000, tot
€ 40.000,-. Desondanks wil [A] deze woning niet verkopen om zijn schulden af te lossen. Hij heeft ook huurinkomsten hieruit waarvan niet is gebleken dat hij deze heeft aangewend ter aflossing van zijn schulden.
De rechtbank wijst het verzoek af op grond van artikel 288 lid 1 onder Pro b Faillissementswet (Fw).
Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank evenmin voldoende aannemelijk dat [A] tijdens de schuldsaneringsregeling zijn verplichtingen naar behoren zal nakomen. De rechtbank heeft daarbij het oog op het feit dat [A] eerst, en desgevraagd, ter zitting heeft meegedeeld dat hij een huis in Turkije bezit. Bovendien heeft [A] in zijn verzoek ook niet vermeld dat hij naast de WIA-uitkering huurinkomsten ontvangt.
De rechtbank wijst het verzoek van [A] daarom ook af op grond van artikel 288 lid 1 en Pro onder c Fw.
Van feiten of omstandigheden op grond waarvan anders moet worden beslist, is niet gebleken. Voor de toepassing van de hardheidsclausule is in ieder geval geen plaats omdat het verzoek mede wordt afgewezen op grond van artikel 288 lid Pro 1, aanhef en onder c Fw.

De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af;
Gewezen door mr. E. Venekatte, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 september 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.