ECLI:NL:RBOVE:2016:5314

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
21 november 2016
Publicatiedatum
22 maart 2017
Zaaknummer
184731 FT RK 435/16 en 184733 FT RK 436/16
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 292 lid 3 FwArt. 361 Fw
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoeken wettelijke schuldsanering wegens niet verschijnen en niet nakomen verplichtingen

De rechtbank Overijssel behandelde de verzoeken van twee samenwonenden tot toepassing van de wettelijke schuldsanering. Na eerdere moratoriums en niet-ontvankelijkverklaring wegens onafgerond minnelijk traject, dienden zij nieuwe verzoeken in begin april 2016. Zij werden driemaal opgeroepen voor zittingen, maar verschenen niet, waarbij zij op de laatste zitting zonder bericht van afwezigheid afwezig waren.

De verzoekers hebben een gezamenlijke schuld van ruim 62.000 euro, inclusief een gezamenlijke schuld aan Beter Wonen. Zij meldden zich in 2006 bij een malafide schuldhulpverleningsbureau en hadden vanaf 2013 gezondheidsproblemen waardoor zij hun financiële situatie verwaarloosden. Ondanks een ontslagvergoeding waarmee schulden werden afgelost, ontstonden nieuwe schulden, onder meer door openstaande boetes.

De rechtbank oordeelde dat door het niet verschijnen en het niet aanleveren van gevraagde stukken niet aannemelijk is gemaakt dat verzoekers te goeder trouw zijn geweest of de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zullen nakomen. Ook is hun inlichtingenplicht niet nagekomen. Daarom worden de verzoeken afgewezen.

Uitkomst: Verzoeken tot toepassing van de wettelijke schuldsanering worden afgewezen wegens niet verschijnen en niet nakomen van verplichtingen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht
Zittingsplaats Zwolle
Rekestnummers: 184731 FT RK 435/16 en 184733 FT RK 436/16
Uitspraakdatum: 21 november 2016
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken op de verzoeken van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] ,
en

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
verder [verzoeker] en [verzoekster] te noemen.

Het procesverloop

Op 15 juni 2015 heeft de rechtbank een moratorium, inhoudende een verbod tot ontruiming van de woning van [verzoeker] en [verzoekster] , tot 30 november 2015, toegewezen. Op 14 maart 2016 heeft de rechtbank [verzoeker] en [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in de, met het verzoek tot het uitspreken van een moratorium ingediende, verzoeken tot toepassing van de wettelijke schuldsanering (schuldsanering), omdat het minnelijk traject nog niet was afgerond.
[verzoeker] en [verzoekster] zijn naar aanleiding van nieuwe verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, die begin april 2016 door de rechtbank zijn ontvangen, op 10 juni 2016 opgeroepen voor de zitting van 1 augustus 2016. [verzoeker] en [verzoekster] hebben voorafgaande aan de zitting telefonisch gemeld dat zij in verband met het overlijden van de stiefmoeder van [verzoekster] niet op de zitting van 1 augustus 2016 aanwezig kunnen zijn. [verzoeker] en [verzoekster] zijn vervolgens opgeroepen voor de zitting van 19 september 2016. Kort voor
19 september 2016 hebben [verzoeker] en [verzoekster] bericht dat [verzoeker] is opgenomen op de Paaz-afdeling en dat zij wederom niet ter zitting kunnen verschijnen. [verzoeker] en [verzoekster] zijn daarop opgeroepen voor de zitting van 14 november 2016, alwaar zij, zonder bericht van afwezigheid, niet zijn verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

De beoordeling

De feiten
[verzoeker] en [verzoekster] zijn samenwonend. Volgens het verzoekschrift van [verzoeker] bedraagt zijn totale schuldenlast € 31.306,54. Volgens het verzoekschrift van [verzoekster] bedraagt haar totale schuldenlast € 27.208,--. Er is sprake van een gezamenlijke schuld van € 4.234,98 uit 2014 aan Beter Wonen. Volgens de verzoekschriften met bijlagen hebben [verzoeker] en [verzoekster] zich reeds in 2006 gemeld bij een schuldhulpverleningsbureau, maar is gebleken dat dit een malafide bureau is. In 2013 heeft [verzoeker] een burnout gekregen en [verzoekster] een hernia, waarna [verzoeker] en [verzoekster] hun financiële zaken ‘links hebben laten liggen’. [verzoeker] is vervolgens akkoord gegaan met ontslag bij zijn toenmalige werkgever en heeft een ontslagvergoeding ontvangen waarmee schulden zijn afgelost. [verzoeker] en [verzoekster] zijn er vanuit gegaan dat alle schulden waren afgelost, maar in november 2014 heeft de politie zich bij [verzoeker] en [verzoekster] gemeld om [verzoeker] te gijzelen in verband met openstaande CJIB-boetes. Om de boetes te kunnen betalen heeft [verzoeker] geld geleend en kon de huur niet worden betaald.
In de oproepbrieven voor de zittingen, waarvan de eerste op 10 juni 2016 is verstuurd, is [verzoeker] en [verzoekster] telkens opgedragen uiterlijk een week voor de zitting, waarvoor ze werden opgeroepen, een BKR-toets van beiden, die niet ouder is dan een jaar, aan te leveren en om een specificatie van de belastingschulden van [verzoekster] over te leggen. Tot op heden heeft de rechtbank de opgevraagde stukken niet ontvangen.
De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de verzoeken van [verzoeker] en [verzoekster] moeten worden afgewezen. [verzoeker] en [verzoekster] hebben immers door drie keer niet ter zitting te verschijnen, waarbij ze op de laatste zitting zonder bericht van afwezigheid niet zijn verschenen, niet aannemelijk gemaakt dat zij te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop de verzoekschriften zijn ingediend. Ook hebben [verzoeker] en [verzoekster] door niet ter zitting te verschijnen niet aannemelijk gemaakt dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat [verzoeker] en [verzoekster] door op 14 november 2016, zonder bericht van afwezigheid, niet ter zitting te verschijnen en dientengevolge niet te verklaren, nu reeds hun inlichtingenplicht niet zijn nagekomen. De rechtbank heeft bij haar oordeel om de verzoeken af te wijzen betrokken dat [verzoeker] en [verzoekster] vanaf het moment dat ze begin april 2016 de verzoeken hebben ingediend, drie keer in de gelegenheid zijn gesteld om deze verzoeken ter zitting toe te lichten en zij van deze mogelijkheid drie keer geen gebruik hebben gemaakt.

De beslissing

De rechtbank:
- wijst de verzoeken af;
Gewezen door mr. M.M. Verhoeven, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare
terechtzitting van 21 november 2016 in tegenwoordigheid van de griffier [1] .