ECLI:NL:RBOVE:2016:949

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
21 maart 2016
Publicatiedatum
21 maart 2016
Zaaknummer
96/099350-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:58 Algemene Plaatselijke Verordening Hengelo 2014Art. 257f Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken aanwijzend besluit voor hondenpoepverbod op locatie

Een 30-jarige vrouw uit Enschede kreeg een strafbeschikking voor het niet opruimen van hondenpoep op een locatie aan de Enschedesestraat. Zij stelde verzet in tegen deze strafbeschikking. De verbalisant stelde dat de hond op een andere dan door het college aangewezen plaats had gepoept, namelijk op een gazon nabij een hondenuitlaatterrein. De vrouw voerde aan dat het hondenuitlaatterrein volgens de gemeentelijke website juist die plek was.

De kantonrechter onderzocht de geldende regelgeving en constateerde dat er geen besluit van burgemeester en wethouders was dat de betreffende locatie als verboden hondenpoepplaats aanwees. Ook was geen besluit gevonden dat de hondenuitlaatplaatsen op de gemeentelijke website ondersteunde. De officier van justitie erkende dit en rekwireerde tot vrijspraak.

De kantonrechter oordeelde dat zonder een dergelijk aanwijzend besluit de tenlastelegging niet stand houdt. Daarom werd de strafbeschikking vernietigd en de verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde gedraging.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens het ontbreken van een besluit dat de locatie als verboden hondenpoepplaats aanwees.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Sector Kanton Enschede
Parketnummer : 96/099350-15
Volgnummer : 3
Uitspraak : 21 maart 2016
De kantonrechter te Enschede heeft het volgende schriftelijk vonnis gewezen in de strafzaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats]
wonende aan de [woonplaats] ,
De kantonrechter te Enschede;
gezien de in het strafdossier aanwezige stukken;
gelet op het onderzoek ter openbare terechtzitting van 7 december 2015, het tussenvonnis van 21 december 2015 en het onderzoek ter terechtzitting van 7 maart 2016;
gehoord de officier van justitie in zijn vordering;
gelet op hetgeen door de verdachte ter verdediging is aangevoerd;

Overweegt:

Verdachte heeft een strafbeschikking gedateerd 14 augustus 2014 gekregen van € 140 vermeerderd met € 7 administratiekosten voor een gedraging die in de strafbeschikking is aangeduid als: als eigenaar of houder van een hond er niet voor zorgen dat deze hond zich niet van uitwerpselen ontdoet op; een andere (dan) door het College aangewezen plaats.
Daartegen heeft verdachte tijdig verzet ingediend.
Volgens de oproeping als bedoeld in artikel 257f, derde lid, Wetboek van Strafvordering is haar ten laste gelegd dat
zij, op of omstreeks 20 juni 2014, te Hengelo, als eigenaar of houder van een hond er niet voor heeft gezorgd dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdeed op een andere dan door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaats, te weten de Enschedesestraat;
(Artikel 2:58 lid 1 sub c Algemene Pro Plaatselijke Verordening Hengelo
2014)
Het proces-verbaal vermeldt als locatie: Enschedesestraat binnen een als zodanig aangeduide bebouwde kom., een weg zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg.
De verbalisant verklaart:
“Ik zag op bovengenoemde locatie een hond poepte op een andere dan door het College aangewezen plaats, namelijk op het gazon en dat verdachte de uitwerpselen niet opruimde […]De verdachte had geen opruimmiddelen bij zich. Zij gaf aan waar de hond zijn behoefte deed dat het een hondenuitlaatveld is. Dit is niet het geval. Het hondenuitlaatterrein licht ongeveer 50 meter verder op, dit word met borden aangegeven.”
Verdachte heeft in zijn verzetschrift gesteld dat het college van B & W blijkens de website van de gemeente plaatsen heeft aangewezen waar de hond zich van uitwerpselen mag ontdoen, de zogenoemde hondenuitlaatterreinen. De hond heeft op zo’n terrein gepoept. Volgens de verbalisant was het terrein 50 meter verderop maar dat bleek nergens uit: het was dichtbij het bordje en tussen de poep en het bord was geen voetpad in het grasveld aanwezig. Het was op één en hetzelfde grasveld.
Ter zitting heeft verdachte dit verweer herhaald en nader toegelicht.
De kantonrechter heeft ter zitting van 7 december 2015 aan de officier van justitie voorgehouden dat artikel 2.58 van de Algemene Plaatselijke Verordening Hengelo 2014 als volgt luidt:
Artikel 2:58 Verontreiniging Pro door honden
1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:
a. op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers;
b. op een voor het publiek toegankelijke en
kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;
c. op een andere door het college aangewezen plaats.
2 Het college kan plaatsen aanwijzen waar de verplichting genoemd in het eerste lid onder a niet geldt.
3. […]
4. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde verbod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.
De kantonrechter heeft de officier van justitie vervolgens gevraagd hoe de tekst van het eerste lid, in het bijzonder wat daarin onder c staat zich verhoudt tot de in de tenlastelegging genoemde tekst. Uit welk besluit van B & W blijkt dat het gazon aan de Enschedesestraat is aangewezen als een plaats waar honden niet mogen poepen?
De officier van justitie heeft geantwoord dat zij het onderzoek ter zitting in deze zaak wil laten schorsen en een andere keer wil laten voortzetten zodat zij nader onderzoek kan doen naar de geldende regelgeving. Zij verzocht daarom om een schorsing.
De kantonrechter heeft toen besloten het onderzoek toch te sluiten en schriftelijk uitspraak te zullen doen.
De kantonrechter heeft vervolgens de bij de rechtbank bekende en via het internet toegankelijke regelgeving van de gemeente Hengelo geraadpleegd. De conclusie daaruit was dat in de APV 2014 van de gemeente Hengelo naast de plaatsen van artikel 2.58, eerste lid onder a en b, enkel sprake is van plaatsen die kunnen worden aangewezen waar de hond zich niet van ontlasting mogen ontdoen en van plaatsen die kunnen worden aangewezen waar een verbod niet geldt. De kantonrechter heeft geen besluit van het college van burgemeester en wethouders aangetroffen waarin andere plaatsen zijn aangewezen waar honden niet mogen poepen anders dan de plaatsen in het eerste lid onder a en b en ook niet met een besluit waarin plaatsen worden aangewezen waar het verbod uit het eerste lid onder a niet geldt.
Toch spreekt de verbalisant van een bestaand hondenuitlaatterrein en toch heeft ook de kantonrechter op de website van de gemeente Hengelo geconstateerd dat er op een kaartje met onduidelijke zeshoekjes omschreven wordt waar honden uitgelaten mogen worden. Welk besluit van het college van B & W daaraan ten grondslag ligt of hoe die terreinen ter plaatse precies worden aangeduid en begrensd wordt evenmin aangegeven. Welk besluit ligt ten grondslag aan het hondenuitlaatterrein dat de verbalisant zegt te kennen?
Bij uitspraak van 21 december 2015 heeft de kantonrechter het onderzoek heropend om antwoord te krijgen op die vragen.
Inmiddels, voorafgaand aan de zitting van 7 maart 2016, heeft de gemeente Hengelo aan de officier van justitie en de kantonrechter informatie verschaft.
De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat uit die informatie blijkt dat geen enkel besluit is kunnen worden teruggevonden door de gemeente waarop de op de website gepubliceerde uitlaatplaatsen berusten. Er is geen enkel besluit teruggevonden dat uitvoering geeft aan artikel 2.58 van de geldende APV 2014. Hij rekwireert daarom tot vrijspraak.
Verdachte is het daarmee eens.
De kantonrechter overweegt als volgt.
De tenlastelegging lijkt de kantonrechter het woordje “een” te missen tussen “dan” en “door”. Dat woordje voegt de kantonrechter toe. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.
De kantonrechter is van oordeel dat de tekst van de telastelegging specifiek uitgaat van plaatsen die zijn aangewezen om een hond zijn behoefte te laten doen. De verwijzing naar artikel 2.58 eerste lid onder c van de APV 2014 onder de telastelegging gaat juist uit van het tegendeel, namelijk van plaatsen die zijn aangewezen om daar ook een poepverbod in te stellen naast de plaatsen genoemd in het eerste lid onder a en b.
Hoe dat ook zij, er moet gelet op de informatie van de gemeente Hengelo vanuit worden gegaan dat er helemaal geen plaatsen zijn aangewezen waar een hond naast de plaatsen van artikel 2.58, eerste lid onder a en b, APV Hengelo 2014 niet mag poepen en dat er ook geen plaatsen zijn aangewezen waar het verbod van het eerste lid onder a niet geldt.
Verdachte moet daarom worden vrijgesproken.

Rechtdoende:

Vernietigt de opgelegde strafbeschikking;
Spreekt verdachte van de tenlastegelegde gedraging vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Berg, kantonrechter, en op 21 maart 2016 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.