Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De procedure
- de dagvaarding;
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;
- de incidentele conclusie van antwoord.
2.De feiten
- [C] , geboren op [geboortedatum 1] en
- [D] , geboren op [geboortedatum 2] .
Rechtbank Overijssel
Partijen, gehuwd in 2005 en gescheiden in 2008, zijn in geschil over de geldigheid van een erfenisverklaring van 12 juli 2008. De vrouw vordert vernietiging van deze verklaring wegens vermeende vervalsing en bedrog door de man. De man stelde dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.
De rechtbank beoordeelt de bevoegdheid aan de hand van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met name artikel 6 lid Pro a en artikel 9 Rv Pro. Hoewel de man niet in Nederland woont, oordeelt de rechtbank dat de vordering van contractuele aard is en dat de karakteristieke verbintenis in Nederland is uitgevoerd, aangezien de verklaring in Nederland is getekend en de betaling in Nederland heeft plaatsgevonden.
De rechtbank wijst het incidentele verzoek tot onbevoegdheid af en veroordeelt de man in de kosten van het incident. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor een conclusie van antwoord van de man. Het vonnis is gewezen door mr. G.G. Vermeulen en op 22 maart 2017 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd en wijst het incidentele verzoek tot onbevoegdheid af.