Eind 2001 kocht gedaagde D een pand, waarbij eisers en gedaagden aandeelhouders waren van een betrokken BV. In 2006 werd een schuldverklaring opgesteld waarin gedaagden een bedrag van €30.000 aan eisers verschuldigd zouden zijn, vermeerderd met rente van 4,5% per jaar vanaf 2005. Eisers vorderden nakoming van deze schuld en betaling van incassokosten.
Gedaagden betwistten de schuldverklaring, de gezamenlijke herontwikkeling en stelden verjaring en rechtsverwerking als verweer. De rechtbank oordeelde dat de vordering verjaard was, omdat de verjaringstermijn van vijf jaar begon te lopen vanaf de opeisbaarheid in 2006 en geen stuiting had plaatsgevonden vóór de brief van mei 2016.
De rechtbank concludeerde dat de schuldverklaring niet viel onder de uitzondering van verjaring na onbepaalde tijd en dat de vorderingen in februari 2011 verjaard waren. Ook de rentevorderingen waren verjaard. De overige standpunten werden niet beoordeeld. Eisers werden veroordeeld in de proceskosten.