ECLI:NL:RBOVE:2017:1742
Rechtbank Overijssel
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Rechtbank verklaart bezwaarschrift tegen DNA-afname minderjarige veroordeelde ongegrond
De veroordeelde, minderjarig ten tijde van het delict, werd veroordeeld voor het verspreiden en bezit van kinderpornografisch materiaal en kreeg een voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd. Op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden gaf de officier van justitie opdracht tot afname van celmateriaal voor DNA-bepaling. De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze maatregel, stellende dat het DNA-onderzoek niet van betekenis zou zijn voor opsporing of vervolging vanwege de aard van het misdrijf en zijn minderjarigheid.
De rechtbank behandelde het bezwaarschrift achter gesloten deuren en hoorde de betrokken partijen. De verdediging voerde aan dat het relatief lichte karakter van het delict en de leeftijd van de veroordeelde een uitzondering op de plicht tot DNA-afname rechtvaardigen. De officier van justitie verwees naar jurisprudentie van de Hoge Raad die een beperkte uitleg geeft aan uitzonderingen en benadrukte dat een generieke uitzondering voor minderjarigen niet bestaat.
De rechtbank oordeelde dat het delict niet vergelijkbaar is met de expliciet genoemde uitzonderingsdelicten in de Wet en dat het niet ondenkbaar is dat DNA-onderzoek bij dit soort zedenmisdrijven kan bijdragen aan opsporing. De minderjarigheid en het ontbreken van verdere justitiële documentatie vormen geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. De rechtbank verklaarde het bezwaarschrift daarom ongegrond.
Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de DNA-afname en verwerking is ongegrond verklaard.