Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De procedure
- de dagvaarding met 6 producties;
- productie 7 aan de zijde van de vrouw;
- de mondelinge behandeling;
- het tegen de man verleende verstek.
Rechtbank Overijssel
Partijen zijn in 2006 gehuwd en bij beschikking van 24 mei 2016 gescheiden. In het echtscheidingsconvenant zijn afspraken gemaakt over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waaronder bepalingen over de voormalige echtelijke woning. De man moest binnen vier maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aangeven of hij de woning kon overnemen, waarbij hij alle hypotheekverplichtingen op zich moest nemen. Indien de bank de vrouw niet uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid zou ontslaan, zou de woning binnen zes weken na weigering te koop worden gezet.
Eind januari 2017 is een makelaar ingeschakeld, maar de woning staat nog niet te koop. De vrouw vordert in kort geding dat de man wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van zijn eigendomsdeel en dat bij weigering het vonnis in de plaats treedt van zijn toestemming. De man is niet verschenen en de vrouw stelt dat zij en de makelaar geen contact met hem krijgen en dat hij zijn hypotheekverplichtingen niet nakomt.
De voorzieningenrechter overweegt dat de bevoegdheid tot vervangende toestemming een discretionaire bevoegdheid is die met voorzichtigheid moet worden toegepast. De rechtshandeling moet met voldoende nauwkeurigheid zijn vastgesteld. Nu de woning nog niet te koop staat, er geen potentiële koper is, geen taxatie is verricht en onduidelijk is welk bod als reëel moet worden beschouwd, kan de rechtshandeling niet voldoende worden vastgesteld. Toewijzing zou de vrouw de facto carte blanche geven over het onverdeelde bezit, hetgeen niet wenselijk is.
Daarom worden de vorderingen afgewezen en worden de proceskosten gecompenseerd, ieder draagt zijn eigen kosten.
Uitkomst: De vorderingen tot vervangende toestemming voor verkoop van de woning worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.