ECLI:NL:RBOVE:2017:2601

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 januari 2017
Publicatiedatum
28 juni 2017
Zaaknummer
193814 / FT-RK 1434/16
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende stabiliteit van de verzoekster

In deze zaak heeft de Rechtbank Overijssel op 17 januari 2017 uitspraak gedaan op het verzoek van een alleenstaande vrouw, hierna te noemen verzoekster, tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De verzoekster heeft een schuldenlast van € 17.760,16, waarvan het merendeel is ontstaan in 2012. Tijdens de zitting op 10 januari 2017 heeft de verzoekster verklaard dat zij door psychische problemen niet in staat is om aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling te voldoen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzoekster sinds haar 18e geen betaalde arbeid heeft verricht en dat haar persoonlijke situatie nog niet stabiel genoeg is om de vereiste inspanningen te leveren voor de schuldsaneringsregeling. Hoewel de verzoekster stappen heeft gezet richting hulpverlening, zoals afspraken met een psycholoog en een maatschappelijk werker, is de rechtbank van oordeel dat het nog te vroeg is om haar toe te laten tot de regeling. De rechtbank wijst het verzoek af op grond van artikel 288 lid 1, aanhef en onder c van de Faillissementswet (Fw). De verzoekster kan in de toekomst opnieuw een verzoek indienen wanneer zij haar psychische problemen onder controle heeft en in staat is om aan de verplichtingen van de regeling te voldoen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team toezicht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 193814 / FT-RK 1434/16
uitspraakdatum: 17 januari 2017
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
verder te noemen: [verzoekster] .

Het procesverloop

[verzoekster] heeft een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 10 januari 2017. Ter zitting is [verzoekster] verschenen. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling

De feiten
[verzoekster] is een alleenstaande vrouw met een minderjarig inwonend kind.
In de periode van 5 juni 2012 tot en met 19 september 2013 heeft [verzoekster] een eenmanszaak gedreven onder de naam [A] .
De totale hoogte van de schuldenlast van [verzoekster] bedraagt volgens het verzoekschrift
€ 17.760,16. Het merendeel van de schulden is ontstaan omstreeks 2012.
Ter zitting heeft [verzoekster] een handgeschreven schuldenlijst overgelegd. Deze schuldenlijst wijkt af van de schuldenlijst in het verzoekschrift. De schuld aan DUO valt in de handgeschreven schuldenlijst (veel) hoger uit dan in het verzoekschrift en er is een aantal schulden afgelost.
De toelichting van [verzoekster]
Ter zitting heeft [verzoekster] verklaard dat zij van huis uit een verkeerd gedragspatroon heeft meegekregen. Zij kon niet op eigen benen staan en heeft fouten gemaakt. Zowel zakelijk als privé zijn er kosten gemaakt die zij niet kon betalen. [verzoekster] heeft in 2010 voor het laatst gewerkt. In 2012 wilde zij een webshop beginnen, maar er was geen geld om kleding in te kopen en de webshop is daardoor niet van de grond gekomen. Op dit moment heeft [verzoekster] vanuit de gemeente geen sollicitatieplicht. Zij loopt tegen dingen uit het verleden aan en er staat een afspraak met een psycholoog gepland. [verzoekster] wil ook een maatschappelijk werker in de arm nemen om uit te zoeken of zij een opleiding kan volgen of een baan kan krijgen. Op dit moment heeft [verzoekster] budgetbeheer en er ontstaan geen nieuwe schulden.
De overwegingen van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoekster] niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting blijkt dat de persoonlijke situatie van [verzoekster] op dit moment nog niet stabiel is. [verzoekster] heeft al vanaf haar 18e geen (betaalde) arbeid meer verricht, omdat zij problemen uit haar verleden ondervindt. Inmiddels heeft zij de eerste stappen richting hulpverlening gezet. Er is een afspraak gemaakt bij een psycholoog om de ingesleten gedragspatronen te veranderen.
De psychische gesteldheid van [verzoekster] is op dit moment nog niet dusdanig stabiel om te kunnen voldoen aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspanningsplicht. [verzoekster] is voornemens om naast psychologische hulpverlening ook de hulp van maatschappelijk werk in te schakelen. Met behulp van een maatschappelijk werker wil zij de mogelijkheden van een opleiding of werk gaan onderzoeken. De rechtbank is van oordeel dat toelating tot de schuldsaneringsregeling pas aan de orde kan komen op het moment dat [verzoekster] in staat is aan de verplichtingen voorvloeiende uit de schuldsaneringsregeling, waaronder de inspanningsplicht, te voldoen. Met het inschakelen van hulpverlening is [verzoekster] op de goede weg, maar het is nog te vroeg om haar thans al toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De wettelijke schuldsaneringsregeling kent namelijk een aantal stevige verplichtingen, waaronder de verplichting om de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd te informeren over alle relevante zaken en de verplichting om te proberen zoveel mogelijk geld voor de schuldeisers te sparen. De rechtbank acht het op basis van de huidige psychische situatie niet aannemelijk dat [verzoekster] al in staat zal zijn aan deze verplichtingen te voldoen. Indien [verzoekster] nu wel zou worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en daarna blijkt dat de verplichtingen niet naar behoren kunnen worden nagekomen, dan zal de schuldsaneringsregeling tussentijds worden beëindigd en kan [verzoekster] gedurende tien jaar niet meer worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. In dat geval zal de (financiële) situatie waarschijnlijk verergeren in plaats van verbeteren. Mede hierom kan [verzoekster] naar het oordeel van de rechtbank op dit moment nog niet worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
De rechtbank merkt hierbij op dat [verzoekster] opnieuw een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan indienen op het moment dat zij haar psychische problemen onder controle heeft gekregen en in staat is te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoek zal worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 1, aanhef en onder c Faillissementswet (Fw).

De beslissing:

de rechtbank:
wijst het verzoek af.
Gewezen door mr. M.M. Verhoeven, lid van de genoemde kamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 januari 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.