Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.de maatschap [A] ,
[B],
[C],
Rechtbank Overijssel
De maatschap [A], [B] en [C] heeft een kort geding aangespannen tegen [X] met het verzoek tot opheffing van conservatoire beslagen en kostenveroordeling. Op 13 juni 2017 trok de maatschap het kort geding in zonder overleg en zonder vergoeding aan [X].
[Naar aanleiding hiervan] verzocht [X] de voorzieningenrechter om een proceskostenveroordeling tegen de maatschap. De maatschap erkende een vergoeding verschuldigd te zijn, maar stelde dat deze slechts € 408,00 zou moeten bedragen.
De voorzieningenrechter overwoog dat het liquidatietarief leidend is voor de hoogte van de proceskostenvergoeding. Gezien de omvangrijke pleitnota en de omstandigheden van de intrekking werd het salaris advocaat vastgesteld op € 816,00. Daarnaast werd de maatschap veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van € 287,00. De totale proceskostenvergoeding bedroeg daarmee € 1.103,00.
De voorzieningenrechter wees het meer of anders gevorderde af en verklaarde de vorderingen van de maatschap ingetrokken. Het vonnis werd uitgesproken op 29 juni 2017 door mr. M. Willemse.
Uitkomst: De maatschap wordt veroordeeld tot betaling van € 1.103,00 aan proceskosten aan [X] na intrekking van het kort geding.